afvrijen
werkwoordBetekenis
- veel, lang of hartstochtelijk vrijen
Vervoeging van afvrijen
afvrijenhele werkwoord — vree afverleden tijd enkelvoud — vreeën afverleden tijd meervoud — afgevreeënvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vrij af | vree af |
| jij | vrijt af | vree af |
| hij, zij, het | vrijt af | vree af |
| wij | vrijen af | vreeën af |
| jullie | vrijen af | vreeën af |
| zij | vrijen af | vreeën af |
Alle 98 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal vrijen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou vrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden vrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt vrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen vrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen vrijen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult vrijen | bijzin, toekomende tijd |
| afgevreeën | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevreeën | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevreeën | verleden tijd, deelwoord |
| afgevreeën | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| afgevreeën | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| afgevreeën | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| afgevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| afgevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| afgevreeën | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| afgevreeën hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| afgevreeën te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevreeën zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevrijd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevrijd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevrijd | verleden tijd, deelwoord |
| afvree | bijzin, verleden tijd |
| afvreeën | bijzin, verleden tijd |
| afvrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvrijde | bijzin, verleden tijd |
| afvrijden | bijzin, verleden tijd |
| afvrijend | onvoltooid, deelwoord |
| afvrijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevrijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevrijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevrijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevrijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevrijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevrijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevrijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevrijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vree af | verleden tijd |
| vrij af | gebiedende wijs |
| vrijde af | verleden tijd |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvrijen | bijzin, toekomende tijd |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvrijen af zou(dt) vrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevrijd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvrijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvrijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvrijen | bijzin, toekomende tijd |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgevrijd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afvrijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afvrijen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afvrijen af zult/zal vrijen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en vrijen
Woordfamilie van afvrijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevreeën | voltooid deelwoord | afvrijen |
| afgevrijd | voltooid deelwoord | afvrijen |
| afgevrijde | woordvorm | afvrijen |
| afvree | subordinate-clause, verleden tijd | afvrijen |
| afvreeën | subordinate-clause, verleden tijd | afvrijen |
| afvrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvrijen |
| afvrijde | subordinate-clause, verleden tijd | afvrijen |
| afvrijden | subordinate-clause, verleden tijd | afvrijen |
| afvrije | with-subordinate-clause | afvrijen |
| afvrijend | onvoltooid deelwoord | afvrijen |
| afvrijende | woordvorm | afvrijen |
| afvrijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvrijen |
| vree af | verleden tijd | afvrijen |
| vreeën af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvrijen |
| vrij af | gebiedende wijs | afvrijen |
| vrijde af | verleden tijd | afvrijen |
| vrijden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvrijen |
| vrije af | woordvorm | afvrijen |
| vrijen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afvrijen |
| vrijt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvrijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvrijen zijn vastgelegd.