afvangen
werkwoordBetekenis
- iets opvangen dat wordt weggegooid
- iemand iets afnemen
- de laatste manoeuvre maken voor het landen van een vliegtuig
Vervoeging van afvangen
afvangenhele werkwoord — ving afverleden tijd enkelvoud — vingen afverleden tijd meervoud — afgevangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vang af | ving af |
| jij | vangt af | ving af |
| hij, zij, het | vangt af | ving af |
| wij | vangen af | vingen af |
| jullie | vangen af | vingen af |
| zij | vangen af | vingen af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te vangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen vangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal vangen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen vangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen vangen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult vangen | bijzin, toekomende tijd |
| afgevangen | verleden tijd, deelwoord |
| afgevangen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevangen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgevangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevangen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevangen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgevangen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevangen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgevangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevangen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevangen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afvang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afvangend | onvoltooid, deelwoord |
| afvangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afving | bijzin, verleden tijd |
| afvingen | bijzin, verleden tijd |
| ben afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgevangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgevangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgevangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgevangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgevangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgevangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgevangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgevangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgevangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afvangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vang af | gebiedende wijs |
| ving af | verleden tijd |
| waart afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgevangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgevangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgevangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgevangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afvangen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgevangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afvangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afvangen af zou(dt) vangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afvangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgevangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgevangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afvangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgevangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgevangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afvangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afvangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afvangen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgevangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af en vangen
Woordfamilie van afvangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgevangen | voltooid deelwoord | afvangen |
| afvang | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvangen |
| afvange | with-subordinate-clause | afvangen |
| afvangend | onvoltooid deelwoord | afvangen |
| afvangende | woordvorm | afvangen |
| afvangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afvangen |
| afving | subordinate-clause, verleden tijd | afvangen |
| afvingen | subordinate-clause, verleden tijd | afvangen |
| vang af | gebiedende wijs | afvangen |
| vange af | woordvorm | afvangen |
| vangen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afvangen |
| vangt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afvangen |
| ving af | verleden tijd | afvangen |
| vingen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afvangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvangen zijn vastgelegd.