Naar de inhoud

afvangen

iets opvangen dat wordt weggegooid

afvangen

werkwoord

Betekenis

  1. iets opvangen dat wordt weggegooid
  2. iemand iets afnemen
  3. de laatste manoeuvre maken voor het landen van een vliegtuig

Vervoeging van afvangen

afvangenhele werkwoord — ving afverleden tijd enkelvoud — vingen afverleden tijd meervoud — afgevangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vang af ving af
jij vangt af ving af
hij, zij, het vangt af ving af
wij vangen af vingen af
jullie vangen af vingen af
zij vangen af vingen af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te vangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen vangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal vangen bijzin, toekomende tijd
af zou vangen bijzin, voorwaardelijk
af zouden vangen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt vangen bijzin, voorwaardelijk
af zullen vangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen vangen bijzin, toekomende tijd
af zult vangen bijzin, toekomende tijd
afgevangen verleden tijd, deelwoord
afgevangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgevangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgevangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgevangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgevangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgevangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgevangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgevangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afvang bijzin, tegenwoordige tijd
afvangend onvoltooid, deelwoord
afvangt bijzin, tegenwoordige tijd
afving bijzin, verleden tijd
afvingen bijzin, verleden tijd
ben afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgevangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgevangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgevangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgevangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgevangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgevangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgevangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgevangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgevangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgevangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afvangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vang af gebiedende wijs
ving af verleden tijd
waart afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgevangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgevangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgevangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgevangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgevangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgevangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgevangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afvangen bijzin, toekomende tijd
zijn afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgevangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afvangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afvangen af zou(dt) vangen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afvangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgevangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgevangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afvangen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgevangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgevangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgevangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgevangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afvangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afvangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afvangen bijzin, toekomende tijd
zult afgevangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af en vangen

Woordfamilie van afvangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgevangen voltooid deelwoord afvangen
afvang subordinate-clause, tegenwoordige tijd afvangen
afvange with-subordinate-clause afvangen
afvangend onvoltooid deelwoord afvangen
afvangende woordvorm afvangen
afvangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afvangen
afving subordinate-clause, verleden tijd afvangen
afvingen subordinate-clause, verleden tijd afvangen
vang af gebiedende wijs afvangen
vange af woordvorm afvangen
vangen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afvangen
vangt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afvangen
ving af verleden tijd afvangen
vingen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afvangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afvangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afvangen

Wat is de betekenis van afvangen?
Afvangen is een werkwoord. De betekenis is: iets opvangen dat wordt weggegooid. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afvangen?
Zo vervoeg je afvangen zo: het voltooid deelwoord is afgevangen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afvangen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afvangen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. V 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afvangen in het kort

afvangen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afvangen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afvangen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afvangen: iets opvangen dat wordt weggegooid
Deel afvangen — standaardnederlands.nl