aftellen
werkwoordBetekenis
- dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet
- door tellen nauwkeurig afpassen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van aftellen
aftellenhele werkwoord — telde afverleden tijd enkelvoud — telden afverleden tijd meervoud — afgeteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tel af | telde af |
| jij | telt af | telde af |
| hij, zij, het | telt af | telde af |
| wij | tellen af | telden af |
| jullie | tellen af | telden af |
| zij | tellen af | telden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te tellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal tellen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen tellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen tellen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult tellen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeteld | verleden tijd, deelwoord |
| afgeteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftelde | bijzin, verleden tijd |
| aftelden | bijzin, verleden tijd |
| aftellend | onvoltooid, deelwoord |
| aftelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is afgeteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tel af | gebiedende wijs |
| telde af | verleden tijd |
| zal afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftellen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftellen af zou(dt) tellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aftellen af zult/zal tellen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en tellen ww
Woordfamilie van aftellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeteld | voltooid deelwoord | aftellen |
| afgetelde | woordvorm | aftellen |
| aftel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftellen |
| aftelde | subordinate-clause, verleden tijd | aftellen |
| aftelden | subordinate-clause, verleden tijd | aftellen |
| aftelle | with-subordinate-clause | aftellen |
| aftellend | onvoltooid deelwoord | aftellen |
| aftellende | woordvorm | aftellen |
| aftelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftellen |
| tel af | gebiedende wijs | aftellen |
| telde af | verleden tijd | aftellen |
| telden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftellen |
| telle af | woordvorm | aftellen |
| tellen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftellen |
| telt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftellen zijn vastgelegd.