Naar de inhoud

aftellen

dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet

aftellen

werkwoord

Betekenis

  1. dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet
  2. door tellen nauwkeurig afpassen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van aftellen

aftellenhele werkwoord — telde afverleden tijd enkelvoud — telden afverleden tijd meervoud — afgeteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tel af telde af
jij telt af telde af
hij, zij, het telt af telde af
wij tellen af telden af
jullie tellen af telden af
zij tellen af telden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te tellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal tellen bijzin, toekomende tijd
af zou tellen bijzin, voorwaardelijk
af zouden tellen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt tellen bijzin, voorwaardelijk
af zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen tellen bijzin, toekomende tijd
af zult tellen bijzin, toekomende tijd
afgeteld verleden tijd, deelwoord
afgeteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aftel bijzin, tegenwoordige tijd
aftelde bijzin, verleden tijd
aftelden bijzin, verleden tijd
aftellend onvoltooid, deelwoord
aftelt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgeteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aftellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tel af gebiedende wijs
telde af verleden tijd
zal afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aftellen bijzin, toekomende tijd
zou afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aftellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aftellen af zou(dt) tellen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aftellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aftellen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aftellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aftellen bijzin, toekomende tijd
zult afgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aftellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aftellen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aftellen af zult/zal tellen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en tellen ww

Woordfamilie van aftellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeteld voltooid deelwoord aftellen
afgetelde woordvorm aftellen
aftel subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftellen
aftelde subordinate-clause, verleden tijd aftellen
aftelden subordinate-clause, verleden tijd aftellen
aftelle with-subordinate-clause aftellen
aftellend onvoltooid deelwoord aftellen
aftellende woordvorm aftellen
aftelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftellen
tel af gebiedende wijs aftellen
telde af verleden tijd aftellen
telden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aftellen
telle af woordvorm aftellen
tellen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aftellen
telt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aftellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aftellen

Wat is de betekenis van aftellen?
Aftellen is een werkwoord. De betekenis is: dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aftellen?
Zo vervoeg je aftellen zo: het voltooid deelwoord is afgeteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aftellen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aftellen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aftellen in het kort

aftellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aftellen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aftellen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aftellen: dalend tellen tot aan het moment dat iets volgens plan gebeuren moet
Deel aftellen — standaardnederlands.nl