aftaaien
werkwoordBetekenis
- weggaan bij een werkzaamheid, dienst e.d.
- dienst of werkzaamheid opgeven
Vervoeging van aftaaien
aftaaienhele werkwoord — taaide afverleden tijd enkelvoud — taaiden afverleden tijd meervoud — afgetaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | taai af | taaide af |
| jij | taait af | taaide af |
| hij, zij, het | taait af | taaide af |
| wij | taaien af | taaiden af |
| jullie | taaien af | taaiden af |
| zij | taaien af | taaiden af |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te taaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen taaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal taaien | bijzin, toekomende tijd |
| af zou taaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden taaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt taaien | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen taaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen taaien | bijzin, toekomende tijd |
| af zult taaien | bijzin, toekomende tijd |
| afgetaaid | verleden tijd, deelwoord |
| afgetaaid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetaaid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftaaide | bijzin, verleden tijd |
| aftaaiden | bijzin, verleden tijd |
| aftaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| aftaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgetaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgetaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgetaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgetaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgetaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgetaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgetaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgetaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| taai af | gebiedende wijs |
| taaide af | verleden tijd |
| te zijn afgetaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgetaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgetaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgetaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgetaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgetaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgetaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgetaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftaaien af zou(dt) taaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aftaaien af zult/zal taaien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
Mogelijk een verbastering van de Engelse vakterm tie up 'vastmaken van een schip (en vervolgens weggaan)' , voor het eerst aangetroffen in 1969 (niet 1974 ), zie vindplaats hieronder.
Woordfamilie van aftaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetaaid | voltooid deelwoord | aftaaien |
| afgetaaide | woordvorm | aftaaien |
| aftaai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftaaien |
| aftaaide | subordinate-clause, verleden tijd | aftaaien |
| aftaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | aftaaien |
| aftaaie | with-subordinate-clause | aftaaien |
| aftaaiend | onvoltooid deelwoord | aftaaien |
| aftaaiende | woordvorm | aftaaien |
| aftaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftaaien |
| taai af | gebiedende wijs | aftaaien |
| taaide af | verleden tijd | aftaaien |
| taaiden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftaaien |
| taaie af | woordvorm | aftaaien |
| taaien af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftaaien |
| taait af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftaaien zijn vastgelegd.