Naar de inhoud

afstraffen

iets betaald zetten

afstraffen

werkwoord ˈɑfstrɑfə(n)

Betekenis

  1. iets betaald zetten
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je afstraffen uit?

/ˈɑfstrɑfən/

Afstraffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstrɑfən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afstraffen

afstraffenhele werkwoord — strafte afverleden tijd enkelvoud — straften afverleden tijd meervoud — afgestraftvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik straf af strafte af
jij straft af strafte af
hij, zij, het straft af strafte af
wij straffen af straften af
jullie straffen af straften af
zij straffen af straften af
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te straffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen straffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal straffen bijzin, toekomende tijd
af zou straffen bijzin, voorwaardelijk
af zouden straffen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt straffen bijzin, voorwaardelijk
af zullen straffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen straffen bijzin, toekomende tijd
af zult straffen bijzin, toekomende tijd
afgestraft verleden tijd, deelwoord
afgestraft te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestraft te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestraft te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestraft te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestraft te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestraft worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestraft zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestraft zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestraft zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestraft zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstraf bijzin, tegenwoordige tijd
afstraffend onvoltooid, deelwoord
afstraft bijzin, tegenwoordige tijd
afstrafte bijzin, verleden tijd
afstraften bijzin, verleden tijd
ben afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgestraft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgestraft impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgestraft impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgestraft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgestraft worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgestraft zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgestraft worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgestraft zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestraft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
straf af gebiedende wijs
strafte af verleden tijd
te hebben afgestraft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstraffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgestraft enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgestraft enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgestraft zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestraft zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstraffen bijzin, toekomende tijd
zijn afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstraffen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstraffen af zou(dt) straffen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstraffen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestraft zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstraffen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgestraft worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestraft zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestraft zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestraft zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstraffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstraffen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstraffen bijzin, toekomende tijd
zult afgestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en straffen ww

Woordfamilie van afstraffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgestraft voltooid deelwoord afstraffen
afgestrafte woordvorm afstraffen
afstraf subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstraffen
afstraffe with-subordinate-clause afstraffen
afstraffend onvoltooid deelwoord afstraffen
afstraffende woordvorm afstraffen
afstraft subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstraffen
afstrafte subordinate-clause, verleden tijd afstraffen
afstraften subordinate-clause, verleden tijd afstraffen
straf af gebiedende wijs afstraffen
straffe af woordvorm afstraffen
straffen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstraffen
straft af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstraffen
strafte af verleden tijd afstraffen
straften af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstraffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstraffen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afstraffen

Hoe spreek ik afstraffen uit?
Zo spreek je afstraffen uit: /ˈɑfstrɑfə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afstraffen?
Afstraffen is een werkwoord. De betekenis is: iets betaald zetten. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afstraffen?
Zo vervoeg je afstraffen zo: het voltooid deelwoord is afgestraft. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstraffen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. A 1
  7. F 4
  8. F 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstraffen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. A 1
  7. F 4
  8. F 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstraffen in het kort

afstraffen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afstraffen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstraffen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstraffen: iets betaald zetten
Deel afstraffen — standaardnederlands.nl