Naar de inhoud

afsteken

door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen

afsteken

werkwoord ˈɑfstekə(n)

Betekenis

  1. door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
  2. een groot contrast geven
  3. doen ontbranden
  4. een redevoering, zang of preek ten gehore brengen

Hoe spreek je afsteken uit?

/ˈɑfstekən/

Afsteken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afsteken

afstekenhele werkwoord — stak afverleden tijd enkelvoud — staken afverleden tijd meervoud — afgestokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steek af stak af
jij steekt af staakt af
hij, zij, het steekt af stak af
wij steken af staken af
jullie steken af staken af
zij steken af staken af
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te steken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal steken bijzin, toekomende tijd
af zou steken bijzin, voorwaardelijk
af zouden steken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt steken bijzin, voorwaardelijk
af zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen steken bijzin, toekomende tijd
af zult steken bijzin, toekomende tijd
afgestoken verleden tijd, deelwoord
afgestoken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestoken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgestoken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestoken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestoken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestoken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestoken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgestoken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestoken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgestoken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstaakt bijzin, verleden tijd
afstak bijzin, verleden tijd
afstaken bijzin, verleden tijd
afsteek bijzin, tegenwoordige tijd
afsteekt bijzin, tegenwoordige tijd
afstekend onvoltooid, deelwoord
ben afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgestoken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgestoken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgestoken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgestoken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgestoken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgestoken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stak af verleden tijd
steek af gebiedende wijs
te hebben afgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afsteken bijzin, toekomende tijd
zijn afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afsteken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afsteken af zou(dt) steken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afsteken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afsteken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afsteken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en steken ww

Woordfamilie van afsteken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgestoken voltooid deelwoord afsteken
afstaakt subordinate-clause, verleden tijd afsteken
afstak subordinate-clause, verleden tijd afsteken
afstaken subordinate-clause, verleden tijd afsteken
afsteekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afsteken
afsteke with-subordinate-clause afsteken
afstekend onvoltooid deelwoord afsteken
afstekende woordvorm afsteken
staakt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon afsteken
stak af verleden tijd afsteken
staken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afsteken
steek af gebiedende wijs afsteken
steekt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afsteken
steke af woordvorm afsteken
steken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afsteken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afsteken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afsteken

Hoe spreek ik afsteken uit?
Zo spreek je afsteken uit: /ˈɑfstekə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afsteken?
Afsteken is een werkwoord. De betekenis is: door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afsteken?
Zo vervoeg je afsteken zo: het voltooid deelwoord is afgestoken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afsteken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afsteken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afsteken in het kort

afsteken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afsteken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afsteken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afsteken: door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
Deel afsteken — standaardnederlands.nl