Naar de inhoud

afstappen

ermee ophouden, ervan afzien

afstappen is meer dan één woord

afstappen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑfstɑpə(n)

Betekenis

  1. ermee ophouden, ervan afzien
  2. omlaag stappen (van een fiets etc.)
  3. uitstappen (uit een voertuig)
  4. op iets of iemand afstappen: lopend naar iets of iemand toelopen

Hoe spreek je afstappen uit?

/ˈɑfstɑpən/

Afstappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstɑpən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
p pak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afstappen

afstappenhele werkwoord — stapte afverleden tijd enkelvoud — stapten afverleden tijd meervoud — afgestaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stap af stapte af
jij stapt af stapte af
hij, zij, het stapt af stapte af
wij stappen af stapten af
jullie stappen af stapten af
zij stappen af stapten af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te stappen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen stappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal stappen bijzin, toekomende tijd
af zou stappen bijzin, voorwaardelijk
af zouden stappen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt stappen bijzin, voorwaardelijk
af zullen stappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen stappen bijzin, toekomende tijd
af zult stappen bijzin, toekomende tijd
afgestapt verleden tijd, deelwoord
afgestapt te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestapt zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstap bijzin, tegenwoordige tijd
afstappend onvoltooid, deelwoord
afstapt bijzin, tegenwoordige tijd
afstapte bijzin, verleden tijd
afstapten bijzin, verleden tijd
ben afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stap af gebiedende wijs
stapte af verleden tijd
te zijn afgestapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgestapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgestapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgestapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgestapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgestapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstappen bijzin, toekomende tijd
zijn afgestapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgestapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstappen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstappen af zou(dt) stappen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstappen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstappen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstappen bijzin, toekomende tijd
zult afgestapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afstappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afstappen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afstappen af zult/zal stappen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord afstap

Herkomst

samenstelling van af en stappen

Woordfamilie van afstappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgestapt voltooid deelwoord afstappen
afstappe with-subordinate-clause afstappen
afstappend onvoltooid deelwoord afstappen
afstappende woordvorm afstappen
afstapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstappen
afstapte subordinate-clause, verleden tijd afstappen
afstapten subordinate-clause, verleden tijd afstappen
stap af gebiedende wijs afstappen
stappe af woordvorm afstappen
stappen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstappen
stapt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstappen
stapte af verleden tijd afstappen
stapten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afstappen

Hoe spreek ik afstappen uit?
Zo spreek je afstappen uit: /ˈɑfstɑpə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afstappen?
Afstappen is een werkwoord. De betekenis is: ermee ophouden, ervan afzien. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afstappen?
Zo vervoeg je afstappen zo: het voltooid deelwoord is afgestapt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstappen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. P 3
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstappen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. P 4
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstappen in het kort

afstappen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afstappen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstappen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstappen: ermee ophouden, ervan afzien
Deel afstappen — standaardnederlands.nl