Naar de inhoud

afstammen

~ van: een nakomeling zijn van

afstammen

werkwoord ˈɑfstɑmə(n)

Betekenis

  1. ~ van: een nakomeling zijn van
  2. in directe lijn teruggevoerd kunnen worden

Hoe spreek je afstammen uit?

/ˈɑfstɑmən/

Afstammen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstɑmən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afstammen

afstammenhele werkwoord — stamde afverleden tijd enkelvoud — stamden afverleden tijd meervoud — afgestamdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stam af stamde af
jij stamt af stamde af
hij, zij, het stamt af stamde af
wij stammen af stamden af
jullie stammen af stamden af
zij stammen af stamden af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te stammen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen stammen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal stammen bijzin, toekomende tijd
af zou stammen bijzin, voorwaardelijk
af zouden stammen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt stammen bijzin, voorwaardelijk
af zullen stammen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen stammen bijzin, toekomende tijd
af zult stammen bijzin, toekomende tijd
afgestamd verleden tijd, deelwoord
afgestamd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestamd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstam bijzin, tegenwoordige tijd
afstamde bijzin, verleden tijd
afstamden bijzin, verleden tijd
afstammend onvoltooid, deelwoord
afstamt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stam af gebiedende wijs
stamde af verleden tijd
te zijn afgestamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstammen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgestamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgestamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgestamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgestamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgestamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgestamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstammen bijzin, toekomende tijd
zijn afgestamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgestamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstammen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstammen af zou(dt) stammen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstammen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstammen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstammen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstammen bijzin, toekomende tijd
zult afgestamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afstammen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afstammen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afstammen af zult/zal stammen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en stammen ww

Woordfamilie van afstammen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgestamd voltooid deelwoord afstammen
afgestamde woordvorm afstammen
afstam subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstammen
afstamde subordinate-clause, verleden tijd afstammen
afstamden subordinate-clause, verleden tijd afstammen
afstamme with-subordinate-clause afstammen
afstammend onvoltooid deelwoord afstammen
afstammende woordvorm afstammen
afstamt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstammen
stam af gebiedende wijs afstammen
stamde af verleden tijd afstammen
stamden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstammen
stamme af woordvorm afstammen
stammen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstammen
stamt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstammen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstammen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afstammen

Hoe spreek ik afstammen uit?
Zo spreek je afstammen uit: /ˈɑfstɑmə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afstammen?
Afstammen is een werkwoord. De betekenis is: ~ van: een nakomeling zijn van. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afstammen?
Zo vervoeg je afstammen zo: het voltooid deelwoord is afgestamd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstammen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstammen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstammen in het kort

afstammen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afstammen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstammen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstammen: ~ van: een nakomeling zijn van
Deel afstammen — standaardnederlands.nl