afspreken
werkwoordBetekenis
- een onderling vergelijk vastleggen, overeenkomen
Vervoeging van afspreken
afsprekenhele werkwoord — sprak afverleden tijd enkelvoud — spraken afverleden tijd meervoud — afgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek af | sprak af |
| jij | spreekt af | spraakt af |
| hij, zij, het | spreekt af | sprak af |
| wij | spreken af | spraken af |
| jullie | spreken af | spraken af |
| zij | spreken af | spraken af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| afgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| afgesproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgesproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgesproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afspraakt | bijzin, verleden tijd |
| afsprak | bijzin, verleden tijd |
| afspraken | bijzin, verleden tijd |
| afspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak af | verleden tijd |
| spreek af | gebiedende wijs |
| te hebben afgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afspreken af zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afspreken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en spreken ww
Woordfamilie van afspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgesproken | voltooid deelwoord | afspreken |
| afsprak | subordinate-clause, verleden tijd | afspreken |
| afspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afspreken |
| afspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afspreken |
| afspreke | with-subordinate-clause | afspreken |
| afsprekend | onvoltooid deelwoord | afspreken |
| afsprekende | woordvorm | afspreken |
| spraakt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | afspreken |
| sprak af | verleden tijd | afspreken |
| spraken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afspreken |
| spreek af | gebiedende wijs | afspreken |
| spreekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afspreken |
| spreke af | woordvorm | afspreken |
| spreken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afspreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afspreken zijn vastgelegd.