Naar de inhoud

afslachten

een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen

afslachten

werkwoord ˈɑfslɑxtə(n)

Betekenis

  1. een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen
  2. een massamoord aanrichten

Hoe spreek je afslachten uit?

/ˈɑfslɑxtən/

Afslachten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfslɑxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
l land
x acht
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afslachten

afslachtenhele werkwoord — slachtte afverleden tijd enkelvoud — slachtten afverleden tijd meervoud — afgeslachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slacht af slachtte af
jij slacht af slachtte af
hij, zij, het slacht af slachtte af
wij slachten af slachtten af
jullie slachten af slachtten af
zij slachten af slachtten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te slachten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen slachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal slachten bijzin, toekomende tijd
af zou slachten bijzin, voorwaardelijk
af zouden slachten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt slachten bijzin, voorwaardelijk
af zullen slachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen slachten bijzin, toekomende tijd
af zult slachten bijzin, toekomende tijd
afgeslacht verleden tijd, deelwoord
afgeslacht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslacht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgeslacht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslacht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslacht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeslacht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslacht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgeslacht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslacht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgeslacht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afslacht bijzin, tegenwoordige tijd
afslachtend onvoltooid, deelwoord
afslachtte bijzin, verleden tijd
afslachtten bijzin, verleden tijd
ben afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgeslacht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeslacht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeslacht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeslacht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeslacht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeslacht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeslacht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeslacht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeslacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeslacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeslacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeslacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslacht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
slacht af gebiedende wijs
slachtte af verleden tijd
te hebben afgeslacht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afslachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgeslacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgeslacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgeslacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgeslacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgeslacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgeslacht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeslacht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afslachten bijzin, toekomende tijd
zijn afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgeslacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afslachten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afslachten af zou(dt) slachten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afslachten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeslacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgeslacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afslachten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgeslacht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeslacht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeslacht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afslachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afslachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afslachten bijzin, toekomende tijd
zult afgeslacht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgeslacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en slachten ww

Woordfamilie van afslachten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeslacht voltooid deelwoord afslachten
afgeslachte woordvorm afslachten
afslacht subordinate-clause, tegenwoordige tijd afslachten
afslachte with-subordinate-clause afslachten
afslachtend onvoltooid deelwoord afslachten
afslachtende woordvorm afslachten
afslachtte subordinate-clause, verleden tijd afslachten
afslachtten subordinate-clause, verleden tijd afslachten
slacht af gebiedende wijs afslachten
slachte af woordvorm afslachten
slachten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afslachten
slachtte af verleden tijd afslachten
slachtten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afslachten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afslachten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afslachten

Hoe spreek ik afslachten uit?
Zo spreek je afslachten uit: /ˈɑfslɑxtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afslachten?
Afslachten is een werkwoord. De betekenis is: een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afslachten?
Zo vervoeg je afslachten zo: het voltooid deelwoord is afgeslacht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afslachten is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afslachten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afslachten in het kort

afslachten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afslachten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afslachten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afslachten: een populatie door slachting drastisch in aantal verminderen
Deel afslachten — standaardnederlands.nl