afscheren
werkwoord ˈɑfsxerə(n)Betekenis
- met een scheermes geheel verwijderen
Hoe spreek je afscheren uit?
/ˈɑfsxerən/
Afscheren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afscheren
afscherenhele werkwoord — schoor afverleden tijd enkelvoud — schoren afverleden tijd meervoud — afgeschorenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheer af | schoor af |
| jij | scheert af | schoor af |
| hij, zij, het | scheert af | schoor af |
| wij | scheren af | schoren af |
| jullie | scheren af | schoren af |
| zij | scheren af | schoren af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te scheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen scheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal scheren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou scheren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden scheren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt scheren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen scheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen scheren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult scheren | bijzin, toekomende tijd |
| afgeschoren | verleden tijd, deelwoord |
| afgeschoren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschoren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeschoren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschoren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschoren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeschoren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschoren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeschoren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschoren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeschoren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afscheer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afscheert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afscherend | onvoltooid, deelwoord |
| afschoor | bijzin, verleden tijd |
| afschoren | bijzin, verleden tijd |
| ben afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeschoren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeschoren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschoren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeschoren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeschoren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeschoren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheer af | gebiedende wijs |
| schoor af | verleden tijd |
| te hebben afgeschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afscheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afscheren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afscheren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afscheren af zou(dt) scheren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afscheren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afscheren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afscheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afscheren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afscheren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en scheren ww
Woordfamilie van afscheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeschoren | voltooid deelwoord | afscheren |
| afscheer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afscheren |
| afscheert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afscheren |
| afschere | with-subordinate-clause | afscheren |
| afscherend | onvoltooid deelwoord | afscheren |
| afscherende | woordvorm | afscheren |
| afschoor | subordinate-clause, verleden tijd | afscheren |
| afschoren | subordinate-clause, verleden tijd | afscheren |
| scheer af | gebiedende wijs | afscheren |
| scheert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afscheren |
| schere af | woordvorm | afscheren |
| scheren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afscheren |
| schoor af | verleden tijd | afscheren |
| schoren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afscheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afscheren zijn vastgelegd.