Naar de inhoud

afristen

van planten de blaadjes of vruchten met een wrijvende beweging verwijderen

afristen

werkwoord

Betekenis

  1. van planten de blaadjes of vruchten met een wrijvende beweging verwijderen

Vervoeging van afristen

afristenhele werkwoord

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afrissen

Vervoeging van afristen

afristenhele werkwoord — ristte afverleden tijd enkelvoud — ristten afverleden tijd meervoud — afgeristvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rist af ristte af
jij rist af ristte af
hij, zij, het rist af ristte af
wij risten af ristten af
jullie risten af ristten af
zij risten af ristten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te risten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen risten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal risten bijzin, toekomende tijd
af zou risten bijzin, voorwaardelijk
af zouden risten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt risten bijzin, voorwaardelijk
af zullen risten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen risten bijzin, toekomende tijd
af zult risten bijzin, toekomende tijd
afgerist verleden tijd, deelwoord
afgerist te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgerist te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgerist te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerist te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerist te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerist worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgerist zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgerist zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgerist zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgerist zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afrist bijzin, tegenwoordige tijd
afristend onvoltooid, deelwoord
afristte bijzin, verleden tijd
afristten bijzin, verleden tijd
ben afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgerist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgerist impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgerist impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgerist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgerist worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgerist zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgerist worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgerist zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgerist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgerist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgerist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgerist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rist af gebiedende wijs
ristte af verleden tijd
te hebben afgerist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afristen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgerist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgerist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgerist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgerist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgerist voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgerist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgerist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgerist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afristen bijzin, toekomende tijd
zijn afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgerist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afristen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afristen af zou(dt) risten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afristen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgerist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgerist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afristen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgerist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgerist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgerist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afristen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afristen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afristen bijzin, toekomende tijd
zult afgerist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgerist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en risten ww

Woordfamilie van afristen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afristend onvoltooid deelwoord afristen
afristende woordvorm afristen
afristte subordinate-clause, verleden tijd afristen
afristten subordinate-clause, verleden tijd afristen
ristte af verleden tijd afristen
ristten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afristen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afristen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afristen

Wat betekent afristen?
Afristen is een werkwoord. Het woord betekent: van planten de blaadjes of vruchten met een wrijvende beweging verwijderen.
Hoe vervoeg je afristen?
Je vervoegt afristen als volgt: het voltooid deelwoord is afgerist. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afristen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afristen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afristen in het kort

afristen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afristen zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afristen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afristen: van planten de blaadjes of vruchten met een wrijvende beweging verwijderen
Deel afristen — standaardnederlands.nl