Naar de inhoud

africhten

door middel van oefening voor iets geschikt maken

africhten

werkwoord

Betekenis

  1. door middel van oefening voor iets geschikt maken

Vervoeging van africhten

africhtenhele werkwoord — richtte afverleden tijd enkelvoud — richtten afverleden tijd meervoud — afgerichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik richt af richtte af
jij richt af richtte af
hij, zij, het richt af richtte af
wij richten af richtten af
jullie richten af richtten af
zij richten af richtten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te richten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal richten bijzin, toekomende tijd
af zou richten bijzin, voorwaardelijk
af zouden richten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt richten bijzin, voorwaardelijk
af zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen richten bijzin, toekomende tijd
af zult richten bijzin, toekomende tijd
afgericht verleden tijd, deelwoord
afgericht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgericht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgericht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgericht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgericht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgericht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgericht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgericht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgericht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgericht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
africht bijzin, tegenwoordige tijd
africhtend onvoltooid, deelwoord
africhtte bijzin, verleden tijd
africhtten bijzin, verleden tijd
ben afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgericht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgericht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgericht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgericht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgericht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgericht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
richt af gebiedende wijs
richtte af verleden tijd
te hebben afgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen africhten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal africhten bijzin, toekomende tijd
zijn afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou africhten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) africhten af zou(dt) richten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden africhten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt africhten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgericht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen africhten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen africhten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen africhten bijzin, toekomende tijd
zult afgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en richten ww

Woordfamilie van africhten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
africht subordinate-clause, tegenwoordige tijd africhten
africhte with-subordinate-clause africhten
africhtend onvoltooid deelwoord africhten
africhtende woordvorm africhten
africhtte subordinate-clause, verleden tijd africhten
africhtten subordinate-clause, verleden tijd africhten
richt af gebiedende wijs africhten
richte af woordvorm africhten
richten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon africhten
richtte af verleden tijd africhten
richtten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon africhten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van africhten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over africhten

Wat betekent africhten?
Africhten is een werkwoord. Het woord betekent: door middel van oefening voor iets geschikt maken.
Hoe vervoeg je africhten?
Je vervoegt africhten als volgt: het voltooid deelwoord is afgericht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord africhten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

africhten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

africhten in het kort

africhten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van africhten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort africhten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

africhten: door middel van oefening voor iets geschikt maken
Deel africhten — standaardnederlands.nl