Naar de inhoud

afrepelen

de knoppen of zaaddozen van het vlas door repelen wegnemen

afrepelen

werkwoord

Betekenis

  1. de knoppen of zaaddozen van het vlas door repelen wegnemen

Vervoeging van afrepelen

afrepelenhele werkwoord — repelde afverleden tijd enkelvoud — repelden afverleden tijd meervoud — afgerepeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik repel af repelde af
jij repelt af repelde af
hij, zij, het repelt af repelde af
wij repelen af repelden af
jullie repelen af repelden af
zij repelen af repelden af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te repelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen repelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal repelen bijzin, toekomende tijd
af zou repelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden repelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt repelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen repelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen repelen bijzin, toekomende tijd
af zult repelen bijzin, toekomende tijd
afgerepeld verleden tijd, deelwoord
afgerepeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerepeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afrepel bijzin, tegenwoordige tijd
afrepelde bijzin, verleden tijd
afrepelden bijzin, verleden tijd
afrepelend onvoltooid, deelwoord
afrepelt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had afgerepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgerepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgerepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgerepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgerepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgerepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgerepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
repel af gebiedende wijs
repelde af verleden tijd
te hebben afgerepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afrepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afrepelen bijzin, toekomende tijd
zou afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afrepelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afrepelen af zou(dt) repelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afrepelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgerepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afrepelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afrepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afrepelen bijzin, toekomende tijd
zult afgerepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afrepelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afrepelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afrepelen af zult/zal repelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en repelen ww

Woordfamilie van afrepelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgerepeld voltooid deelwoord afrepelen
afgerepelde woordvorm afrepelen
afrepel subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrepelen
afrepelde subordinate-clause, verleden tijd afrepelen
afrepelden subordinate-clause, verleden tijd afrepelen
afrepele with-subordinate-clause afrepelen
afrepelend onvoltooid deelwoord afrepelen
afrepelende woordvorm afrepelen
afrepelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrepelen
repel af gebiedende wijs afrepelen
repelde af verleden tijd afrepelen
repelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afrepelen
repele af woordvorm afrepelen
repelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afrepelen
repelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afrepelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrepelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afrepelen

Wat betekent afrepelen?
Afrepelen is een werkwoord. Het woord betekent: de knoppen of zaaddozen van het vlas door repelen wegnemen.
Hoe vervoeg je afrepelen?
Je vervoegt afrepelen als volgt: het voltooid deelwoord is afgerepeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afrepelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afrepelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afrepelen in het kort

afrepelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afrepelen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afrepelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afrepelen: de knoppen of zaaddozen van het vlas door repelen wegnemen
Deel afrepelen — standaardnederlands.nl