Naar de inhoud

afrekenen

een aankoop of schuld betalen

afrekenen

werkwoord ˈɑfrekənə(n)

Betekenis

  1. een aankoop of schuld betalen
  2. iets of iemand genoegdoening geven voor geleverde diensten en aangedaan leed zodat men weer met een schone lei kan beginnen
  3. iemand bestraffen op basis van een evaluatie

Hoe spreek je afrekenen uit?

/ˈɑfrekənən/

Afrekenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfrekənən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afrekenen

afrekenenhele werkwoord — rekende afverleden tijd enkelvoud — rekenden afverleden tijd meervoud — afgerekendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reken af rekende af
jij rekent af rekende af
hij, zij, het rekent af rekende af
wij rekenen af rekenden af
jullie rekenen af rekenden af
zij rekenen af rekenden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te rekenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal rekenen bijzin, toekomende tijd
af zou rekenen bijzin, voorwaardelijk
af zouden rekenen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt rekenen bijzin, voorwaardelijk
af zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen rekenen bijzin, toekomende tijd
af zult rekenen bijzin, toekomende tijd
afgerekend verleden tijd, deelwoord
afgerekend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgerekend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afreken bijzin, tegenwoordige tijd
afrekende bijzin, verleden tijd
afrekenden bijzin, verleden tijd
afrekenend onvoltooid, deelwoord
afrekent bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgerekend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgerekend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgerekend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgerekend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgerekend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgerekend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reken af gebiedende wijs
rekende af verleden tijd
te hebben afgerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afrekenen bijzin, toekomende tijd
zou afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afrekenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afrekenen af zou(dt) rekenen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afrekenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afrekenen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afrekenen bijzin, toekomende tijd
zult afgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afrekenen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afrekenen af zult/zal rekenen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en rekenen ww

Woordfamilie van afrekenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgerekend voltooid deelwoord afrekenen
afgerekende woordvorm afrekenen
afreken subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrekenen
afrekende subordinate-clause, verleden tijd afrekenen
afrekenden subordinate-clause, verleden tijd afrekenen
afrekene with-subordinate-clause afrekenen
afrekenend onvoltooid deelwoord afrekenen
afrekenende woordvorm afrekenen
afrekent subordinate-clause, tegenwoordige tijd afrekenen
reken af gebiedende wijs afrekenen
rekende af verleden tijd afrekenen
rekenden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afrekenen
rekene af woordvorm afrekenen
rekenen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afrekenen
rekent af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afrekenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afrekenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afrekenen

Hoe spreek ik afrekenen uit?
Zo spreek je afrekenen uit: /ˈɑfrekənə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afrekenen?
Afrekenen is een werkwoord. De betekenis is: een aankoop of schuld betalen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afrekenen?
Zo vervoeg je afrekenen zo: het voltooid deelwoord is afgerekend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afrekenen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afrekenen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afrekenen in het kort

afrekenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afrekenen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afrekenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afrekenen: een aankoop of schuld betalen
Deel afrekenen — standaardnederlands.nl