Naar de inhoud

afreizen

een plaats verlaten om aan een reis te beginnen

afreizen is meer dan één woord

afreizen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een plaats verlaten om aan een reis te beginnen

Vervoeging van afreizen

afreizenhele werkwoord — reisde afverleden tijd enkelvoud — reisden afverleden tijd meervoud — afgereisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reis af reisde af
jij reist af reisde af
hij, zij, het reist af reisde af
wij reizen af reisden af
jullie reizen af reisden af
zij reizen af reisden af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te reizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal reizen bijzin, toekomende tijd
af zou reizen bijzin, voorwaardelijk
af zouden reizen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt reizen bijzin, voorwaardelijk
af zullen reizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen reizen bijzin, toekomende tijd
af zult reizen bijzin, toekomende tijd
afgereisd verleden tijd, deelwoord
afgereisd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgereisd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afreis bijzin, tegenwoordige tijd
afreisde bijzin, verleden tijd
afreisden bijzin, verleden tijd
afreist bijzin, tegenwoordige tijd
afreizend onvoltooid, deelwoord
ben afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reis af gebiedende wijs
reisde af verleden tijd
te zijn afgereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afreizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgereisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgereisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgereisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afreizen bijzin, toekomende tijd
zijn afgereisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgereisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afreizen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afreizen af zou(dt) reizen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afreizen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgereisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afreizen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afreizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afreizen bijzin, toekomende tijd
zult afgereisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afreizen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afreizen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afreizen af zult/zal reizen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord afreis

Herkomst

samenstelling van af bw en reizen ww

Woordfamilie van afreizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgereisd voltooid deelwoord afreizen
afgereisde woordvorm afreizen
afreisde subordinate-clause, verleden tijd afreizen
afreisden subordinate-clause, verleden tijd afreizen
afreist subordinate-clause, tegenwoordige tijd afreizen
afreize with-subordinate-clause afreizen
afreizend onvoltooid deelwoord afreizen
afreizende woordvorm afreizen
reis af gebiedende wijs afreizen
reisde af verleden tijd afreizen
reisden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afreizen
reist af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afreizen
reize af woordvorm afreizen
reizen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afreizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afreizen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afreizen

Wat betekent afreizen?
Afreizen is een werkwoord. Het woord betekent: een plaats verlaten om aan een reis te beginnen.
Hoe vervoeg je afreizen?
Je vervoegt afreizen als volgt: het voltooid deelwoord is afgereisd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afreizen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. I 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afreizen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. I 2
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afreizen in het kort

afreizen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van afreizen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afreizen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afreizen: een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
Deel afreizen — standaardnederlands.nl