afreizen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
Vervoeging van afreizen
afreizenhele werkwoord — reisde afverleden tijd enkelvoud — reisden afverleden tijd meervoud — afgereisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reis af | reisde af |
| jij | reist af | reisde af |
| hij, zij, het | reist af | reisde af |
| wij | reizen af | reisden af |
| jullie | reizen af | reisden af |
| zij | reizen af | reisden af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te reizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal reizen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen reizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen reizen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult reizen | bijzin, toekomende tijd |
| afgereisd | verleden tijd, deelwoord |
| afgereisd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgereisd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afreis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afreisde | bijzin, verleden tijd |
| afreisden | bijzin, verleden tijd |
| afreist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afreizend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reis af | gebiedende wijs |
| reisde af | verleden tijd |
| te zijn afgereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afreizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgereisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgereisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgereisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgereisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgereisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afreizen af zou(dt) reizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgereisd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afreizen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afreizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgereisd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afreizen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afreizen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afreizen af zult/zal reizen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord afreis
Herkomst
samenstelling van af bw en reizen ww
Woordfamilie van afreizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgereisd | voltooid deelwoord | afreizen |
| afgereisde | woordvorm | afreizen |
| afreisde | subordinate-clause, verleden tijd | afreizen |
| afreisden | subordinate-clause, verleden tijd | afreizen |
| afreist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afreizen |
| afreize | with-subordinate-clause | afreizen |
| afreizend | onvoltooid deelwoord | afreizen |
| afreizende | woordvorm | afreizen |
| reis af | gebiedende wijs | afreizen |
| reisde af | verleden tijd | afreizen |
| reisden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afreizen |
| reist af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afreizen |
| reize af | woordvorm | afreizen |
| reizen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afreizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afreizen zijn vastgelegd.