Naar de inhoud

afregelen

zodanig fijn regelen dat e.e.a. daarna naar wens functioneert

afregelen

werkwoord

Betekenis

  1. zodanig fijn regelen dat e.e.a. daarna naar wens functioneert

Vervoeging van afregelen

afregelenhele werkwoord — regelde afverleden tijd enkelvoud — regelden afverleden tijd meervoud — afgeregeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik regel af regelde af
jij regelt af regelde af
hij, zij, het regelt af regelde af
wij regelen af regelden af
jullie regelen af regelden af
zij regelen af regelden af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te regelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen regelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal regelen bijzin, toekomende tijd
af zou regelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden regelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt regelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen regelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen regelen bijzin, toekomende tijd
af zult regelen bijzin, toekomende tijd
afgeregeld verleden tijd, deelwoord
afgeregeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeregeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afregel bijzin, tegenwoordige tijd
afregelde bijzin, verleden tijd
afregelden bijzin, verleden tijd
afregelend onvoltooid, deelwoord
afregelt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had afgeregeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeregeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeregeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeregeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeregeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeregeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeregeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeregeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeregeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
regel af gebiedende wijs
regelde af verleden tijd
te hebben afgeregeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afregelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afregelen bijzin, toekomende tijd
zou afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afregelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afregelen af zou(dt) regelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afregelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeregeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afregelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afregelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afregelen bijzin, toekomende tijd
zult afgeregeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afregelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afregelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afregelen af zult/zal regelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af en regelen

Woordfamilie van afregelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeregeld voltooid deelwoord afregelen
afgeregelde woordvorm afregelen
afregel subordinate-clause, tegenwoordige tijd afregelen
afregelde subordinate-clause, verleden tijd afregelen
afregelden subordinate-clause, verleden tijd afregelen
afregele with-subordinate-clause afregelen
afregelend onvoltooid deelwoord afregelen
afregelende woordvorm afregelen
afregelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afregelen
regel af gebiedende wijs afregelen
regelde af verleden tijd afregelen
regelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afregelen
regele af woordvorm afregelen
regelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afregelen
regelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afregelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afregelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afregelen

Wat betekent afregelen?
Afregelen is een werkwoord. Het woord betekent: zodanig fijn regelen dat e.e.a. daarna naar wens functioneert.
Hoe vervoeg je afregelen?
Je vervoegt afregelen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeregeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afregelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afregelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afregelen in het kort

afregelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afregelen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afregelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afregelen: zodanig fijn regelen dat e.e.a. daarna naar wens functioneert
Deel afregelen — standaardnederlands.nl