afnokken
werkwoord ˈɑfnɔkə(n)Betekenis
- weggaan, ophouden
Hoe spreek je afnokken uit?
/ˈɑfnɔkən/
Afnokken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afnokken
afnokkenhele werkwoord — nokte afverleden tijd enkelvoud — nokten afverleden tijd meervoud — afgenoktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nok af | nokte af |
| jij | nokt af | nokte af |
| hij, zij, het | nokt af | nokte af |
| wij | nokken af | nokten af |
| jullie | nokken af | nokten af |
| zij | nokken af | nokten af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te nokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen nokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal nokken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou nokken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden nokken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt nokken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen nokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen nokken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult nokken | bijzin, toekomende tijd |
| afgenokt | verleden tijd, deelwoord |
| afgenokt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgenokt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afnok | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afnokkend | onvoltooid, deelwoord |
| afnokt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afnokte | bijzin, verleden tijd |
| afnokten | bijzin, verleden tijd |
| ben afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nok af | gebiedende wijs |
| nokte af | verleden tijd |
| te zijn afgenokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afnokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgenokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgenokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgenokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgenokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgenokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgenokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgenokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afnokken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgenokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgenokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afnokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afnokken af zou(dt) nokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afnokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgenokt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afnokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afnokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afnokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgenokt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afnokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afnokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afnokken af zult/zal nokken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
verbastering van 19e eeuws Engels knock off ww , slang voor "ophouden met iets te doen (en vervolgens weggaan)", op te vatten als samenstelling van af bw en nokken ww , in de betekenis van ‘weggaan’ voor het eerst aangetroffen in 1900 (zie de vindplaats hieronder)
Woordfamilie van afnokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgenokt | voltooid deelwoord | afnokken |
| afgenokte | woordvorm | afnokken |
| afnok | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afnokken |
| afnokke | with-subordinate-clause | afnokken |
| afnokkend | onvoltooid deelwoord | afnokken |
| afnokkende | woordvorm | afnokken |
| afnokt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afnokken |
| afnokte | subordinate-clause, verleden tijd | afnokken |
| afnokten | subordinate-clause, verleden tijd | afnokken |
| nok af | gebiedende wijs | afnokken |
| nokke af | woordvorm | afnokken |
| nokken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afnokken |
| nokt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afnokken |
| nokte af | verleden tijd | afnokken |
| nokten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afnokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afnokken zijn vastgelegd.