Naar de inhoud

afnijpen

afknijpen, afknippen, doorknippen

afnijpen

werkwoord

Betekenis

  1. afknijpen, afknippen, doorknippen

Vervoeging van afnijpen

afnijpenhele werkwoord — neep afverleden tijd enkelvoud — nepen afverleden tijd meervoud — afgenepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik nijp af neep af
jij nijpt af neep af
hij, zij, het nijpt af neep af
wij nijpen af nepen af
jullie nijpen af nepen af
zij nijpen af nepen af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te nijpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen nijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal nijpen bijzin, toekomende tijd
af zou nijpen bijzin, voorwaardelijk
af zouden nijpen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt nijpen bijzin, voorwaardelijk
af zullen nijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen nijpen bijzin, toekomende tijd
af zult nijpen bijzin, toekomende tijd
afgenepen verleden tijd, deelwoord
afgenepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgenepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afneep bijzin, verleden tijd
afnepen bijzin, verleden tijd
afnijp bijzin, tegenwoordige tijd
afnijpend onvoltooid, deelwoord
afnijpt bijzin, tegenwoordige tijd
ev. gebiedende wijs
had afgenepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgenepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgenepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgenepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgenepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgenepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgenepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgenepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgenepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neep af verleden tijd
nijp af gebiedende wijs
te hebben afgenepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afnijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afnijpen bijzin, toekomende tijd
zou afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afnijpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afnijpen af zou(dt) nijpen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afnijpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgenepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afnijpen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afnijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afnijpen bijzin, toekomende tijd
zult afgenepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afnijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afnijpen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afnijpen af zult/zal nijpen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en nijpen ww "knijpen"

Woordfamilie van afnijpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgenepen voltooid deelwoord afnijpen
afneep subordinate-clause, verleden tijd afnijpen
afnepen subordinate-clause, verleden tijd afnijpen
afnijp subordinate-clause, tegenwoordige tijd afnijpen
afnijpe with-subordinate-clause afnijpen
afnijpend onvoltooid deelwoord afnijpen
afnijpende woordvorm afnijpen
afnijpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afnijpen
neep af verleden tijd afnijpen
nepen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afnijpen
nijp af gebiedende wijs afnijpen
nijpe af woordvorm afnijpen
nijpen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afnijpen
nijpt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afnijpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afnijpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afnijpen

Wat is de betekenis van afnijpen?
Afnijpen is een werkwoord. De betekenis is: afknijpen, afknippen, doorknippen.
Hoe vervoeg ik afnijpen?
Zo vervoeg je afnijpen zo: het voltooid deelwoord is afgenepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afnijpen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. N 1
  4. I 1
  5. J 4
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afnijpen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. N 1
  4. I 2
  5. J 4
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afnijpen in het kort

afnijpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afnijpen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afnijpen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afnijpen: afknijpen, afknippen, doorknippen
Deel afnijpen — standaardnederlands.nl