Naar de inhoud

afmeten

door meting een bepaalde hoeveelheid van een voorraad afzonderen

afmeten

werkwoord

Betekenis

  1. door meting een bepaalde hoeveelheid van een voorraad afzonderen
  2. ~ aan als maatstaf voor iets gebruiken
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van afmeten

afmetenhele werkwoord — mat afverleden tijd enkelvoud — maten afverleden tijd meervoud — afgemetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik meet af mat af
jij meet af mat af
hij, zij, het meet af mat af
wij meten af maten af
jullie meten af maten af
zij meten af maten af
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te meten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen meten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal meten bijzin, toekomende tijd
af zou meten bijzin, voorwaardelijk
af zouden meten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt meten bijzin, voorwaardelijk
af zullen meten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen meten bijzin, toekomende tijd
af zult meten bijzin, toekomende tijd
afgemeten verleden tijd, deelwoord
afgemeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afmat bijzin, verleden tijd
afmaten bijzin, verleden tijd
afmeet bijzin, tegenwoordige tijd
afmetend onvoltooid, deelwoord
ben afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgemeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgemeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgemeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgemeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgemeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgemeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgemeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgemeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mat af verleden tijd
meet af gebiedende wijs
te hebben afgemeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afmeten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afmeten bijzin, toekomende tijd
zijn afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afmeten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afmeten af zou(dt) meten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afmeten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afmeten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afmeten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afmeten bijzin, toekomende tijd
zult afgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en meten ww

Woordfamilie van afmeten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afmaten subordinate-clause, verleden tijd afmeten
afmeet subordinate-clause, tegenwoordige tijd afmeten
afmete with-subordinate-clause afmeten
afmetend onvoltooid deelwoord afmeten
afmetende woordvorm afmeten
maten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afmeten
meet af gebiedende wijs afmeten
mete af woordvorm afmeten
meten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afmeten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmeten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afmeten

Wat is de betekenis van afmeten?
Afmeten is een werkwoord. De betekenis is: door meting een bepaalde hoeveelheid van een voorraad afzonderen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afmeten?
Zo vervoeg je afmeten zo: het voltooid deelwoord is afgemeten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afmeten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afmeten levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afmeten telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afmeten in het kort

afmeten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afmeten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afmeten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afmeten: door meting een bepaalde hoeveelheid van een voorraad afzonderen
Deel afmeten — standaardnederlands.nl