Naar de inhoud

afmeren

het vastleggen van een schip

afmeren

werkwoord

Betekenis

  1. het vastleggen van een schip

Vervoeging van afmeren

afmerenhele werkwoord — meerde afverleden tijd enkelvoud — meerden afverleden tijd meervoud — afgemeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik meer af meerde af
jij meert af meerde af
hij, zij, het meert af meerde af
wij meren af meerden af
jullie meren af meerden af
zij meren af meerden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te meren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen meren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal meren bijzin, toekomende tijd
af zou meren bijzin, voorwaardelijk
af zouden meren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt meren bijzin, voorwaardelijk
af zullen meren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen meren bijzin, toekomende tijd
af zult meren bijzin, toekomende tijd
afgemeerd verleden tijd, deelwoord
afgemeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afmeer bijzin, tegenwoordige tijd
afmeerde bijzin, verleden tijd
afmeerden bijzin, verleden tijd
afmeert bijzin, tegenwoordige tijd
afmerend onvoltooid, deelwoord
er is afgemeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgemeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgemeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgemeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgemeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgemeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgemeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgemeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgemeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgemeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgemeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgemeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
meer af gebiedende wijs
meerde af verleden tijd
te hebben afgemeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afmeren bijzin, toekomende tijd
zou afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afmeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afmeren af zou(dt) meren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afmeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgemeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afmeren bijzin, voorwaardelijk
zullen afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afmeren bijzin, toekomende tijd
zult afgemeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afmeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afmeren bijzin, toekomende tijd
zult/zal afmeren af zult/zal meren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en meren ww

Woordfamilie van afmeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgemeerd voltooid deelwoord afmeren
afgemeerde woordvorm afmeren
afmeer subordinate-clause, tegenwoordige tijd afmeren
afmeerde subordinate-clause, verleden tijd afmeren
afmeerden subordinate-clause, verleden tijd afmeren
afmeert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afmeren
afmere with-subordinate-clause afmeren
afmerend onvoltooid deelwoord afmeren
afmerende woordvorm afmeren
meer af gebiedende wijs afmeren
meerde af verleden tijd afmeren
meerden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afmeren
meert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afmeren
mere af woordvorm afmeren
meren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afmeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afmeren

Wat is de betekenis van afmeren?
Afmeren is een werkwoord. De betekenis is: het vastleggen van een schip.
Hoe vervoeg ik afmeren?
Zo vervoeg je afmeren zo: het voltooid deelwoord is afgemeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afmeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afmeren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afmeren telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afmeren in het kort

afmeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afmeren staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afmeren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afmeren: het vastleggen van een schip
Deel afmeren — standaardnederlands.nl