afmeren
werkwoordBetekenis
- het vastleggen van een schip
Vervoeging van afmeren
afmerenhele werkwoord — meerde afverleden tijd enkelvoud — meerden afverleden tijd meervoud — afgemeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meer af | meerde af |
| jij | meert af | meerde af |
| hij, zij, het | meert af | meerde af |
| wij | meren af | meerden af |
| jullie | meren af | meerden af |
| zij | meren af | meerden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te meren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal meren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou meren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden meren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt meren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen meren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult meren | bijzin, toekomende tijd |
| afgemeerd | verleden tijd, deelwoord |
| afgemeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afmeer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmeerde | bijzin, verleden tijd |
| afmeerden | bijzin, verleden tijd |
| afmeert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is afgemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgemeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgemeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgemeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgemeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meer af | gebiedende wijs |
| meerde af | verleden tijd |
| te hebben afgemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afmeren | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afmeren af zou(dt) meren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afmeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afmeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afmeren af zult/zal meren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en meren ww
Woordfamilie van afmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgemeerd | voltooid deelwoord | afmeren |
| afgemeerde | woordvorm | afmeren |
| afmeer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afmeren |
| afmeerde | subordinate-clause, verleden tijd | afmeren |
| afmeerden | subordinate-clause, verleden tijd | afmeren |
| afmeert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afmeren |
| afmere | with-subordinate-clause | afmeren |
| afmerend | onvoltooid deelwoord | afmeren |
| afmerende | woordvorm | afmeren |
| meer af | gebiedende wijs | afmeren |
| meerde af | verleden tijd | afmeren |
| meerden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afmeren |
| meert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afmeren |
| mere af | woordvorm | afmeren |
| meren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmeren zijn vastgelegd.