Naar de inhoud

afmaken

iets tot voltooiing brengen

afmaken

werkwoord

Betekenis

  1. iets tot voltooiing brengen
  2. doden, euthanasie bedrijven op een dier (of minderwaardig geacht mens)
  3. iemand zoveel negatieve kritiek geven dat hij het nooit meer zal proberen
  4. een relatie verbreken
  5. overeenkomen, afspreken

Vervoeging van afmaken

afmakenhele werkwoord — maakte afverleden tijd enkelvoud — maakten afverleden tijd meervoud — afgemaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik maak af maakte af
jij maakt af maakte af
hij, zij, het maakt af maakte af
wij maken af maakten af
jullie maken af maakten af
zij maken af maakten af
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te maken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal maken bijzin, toekomende tijd
af zou maken bijzin, voorwaardelijk
af zouden maken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt maken bijzin, voorwaardelijk
af zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen maken bijzin, toekomende tijd
af zult maken bijzin, toekomende tijd
afgemaakt verleden tijd, deelwoord
afgemaakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemaakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemaakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemaakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemaakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemaakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemaakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemaakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afmaak bijzin, tegenwoordige tijd
afmaakt bijzin, tegenwoordige tijd
afmaakte bijzin, verleden tijd
afmaakten bijzin, verleden tijd
afmakend onvoltooid, deelwoord
ben afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgemaakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgemaakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgemaakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgemaakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
maak af gebiedende wijs
maak u/je af, maakt je af gebiedende wijs
maakte af verleden tijd
te hebben afgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afmaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afmaken bijzin, toekomende tijd
zal me afmaken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afmaken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afmaken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgemaakt hebben verleden tijd
zich afmakend onvoltooid, deelwoord
zijn afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afmaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afmaken af zou(dt) maken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afmaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afmaken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en maken ww

Woordfamilie van afmaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgemaakt voltooid deelwoord afmaken
afgemaakte woordvorm afmaken
afmaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd afmaken
afmaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afmaken
afmaakte subordinate-clause, verleden tijd afmaken
afmaakten subordinate-clause, verleden tijd afmaken
afmake with-subordinate-clause afmaken
afmakend onvoltooid deelwoord afmaken
afmakende woordvorm afmaken
maak af gebiedende wijs afmaken
maakt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afmaken
maakte af verleden tijd afmaken
maakten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afmaken
make af woordvorm afmaken
maken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afmaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmaken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afmaken

Wat betekent afmaken?
Afmaken is een werkwoord. Het woord betekent: iets tot voltooiing brengen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afmaken?
Je vervoegt afmaken als volgt: het voltooid deelwoord is afgemaakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afmaken is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afmaken levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afmaken telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afmaken in het kort

afmaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afmaken zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afmaken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afmaken: iets tot voltooiing brengen
Deel afmaken — standaardnederlands.nl