afmaken
werkwoordBetekenis
- iets tot voltooiing brengen
- doden, euthanasie bedrijven op een dier (of minderwaardig geacht mens)
- iemand zoveel negatieve kritiek geven dat hij het nooit meer zal proberen
- een relatie verbreken
- overeenkomen, afspreken
Vervoeging van afmaken
afmakenhele werkwoord — maakte afverleden tijd enkelvoud — maakten afverleden tijd meervoud — afgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak af | maakte af |
| jij | maakt af | maakte af |
| hij, zij, het | maakt af | maakte af |
| wij | maken af | maakten af |
| jullie | maken af | maakten af |
| zij | maken af | maakten af |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| afgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| afgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmaakte | bijzin, verleden tijd |
| afmaakten | bijzin, verleden tijd |
| afmakend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak af | gebiedende wijs |
| maak u/je af, maakt je af | gebiedende wijs |
| maakte af | verleden tijd |
| te hebben afgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zal me afmaken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich afmaken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je afmaken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich afgemaakt hebben | verleden tijd |
| zich afmakend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afmaken af zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en maken ww
Woordfamilie van afmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgemaakt | voltooid deelwoord | afmaken |
| afgemaakte | woordvorm | afmaken |
| afmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afmaken |
| afmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afmaken |
| afmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | afmaken |
| afmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | afmaken |
| afmake | with-subordinate-clause | afmaken |
| afmakend | onvoltooid deelwoord | afmaken |
| afmakende | woordvorm | afmaken |
| maak af | gebiedende wijs | afmaken |
| maakt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afmaken |
| maakte af | verleden tijd | afmaken |
| maakten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afmaken |
| make af | woordvorm | afmaken |
| maken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmaken zijn vastgelegd.