aflegger
zelfstandig naamwoord ˈɑflɛɣərBetekenis
- een voorwerp (met name kleiding) dat de oorspronkelijke eigenaar niet meer gebruikt maar nog niet helemaal versleten is en dus nog door iemand anders als tweedehandsje gebruikt kan worden
- een nieuwe plant die ontstaat waart takken van de moederplant de grond raken
- iemand die een lijk aflegt
- een voorzet
- iemand die een examen maakt
Hoe spreek je aflegger uit?
/ˈɑflɛxər/
Aflegger bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorwerp (met name kleding) dat de oorspronkelijke eigenaar niet meer gebruikt maar nog niet helemaal versleten is en dus nog door iemand anders als tweedehandsje gebruikt kan worden
- nieuwe plant die ontstaat waar takken van de moederplant de grond raken
- voorzet
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afleggers | meervoud |
| afleggertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afleggertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van afleggen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van aflegger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afleggers | meervoud | aflegger |
| afleggertje | verkleinwoord | aflegger |
| afleggertjes | verkleinwoord meervoud | aflegger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflegger zijn vastgelegd.