afkrijgen
werkwoord ˈɑfkrɛiɣə(n)Betekenis
- erin slagen iets te voltooien
Hoe spreek je afkrijgen uit?
/ˈɑfkrɛixən/
Afkrijgen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afkrijgen
afkrijgenhele werkwoord — kreeg afverleden tijd enkelvoud — kregen afverleden tijd meervoud — afgekregenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krijg af | kreeg af |
| jij | krijgt af | kreeg af |
| hij, zij, het | krijgt af | kreeg af |
| wij | krijgen af | kregen af |
| jullie | krijgen af | kregen af |
| zij | krijgen af | kregen af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen krijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult krijgen | bijzin, toekomende tijd |
| afgekregen | verleden tijd, deelwoord |
| afgekregen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekregen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgekregen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekregen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekregen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgekregen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekregen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgekregen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekregen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgekregen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afkreeg | bijzin, verleden tijd |
| afkregen | bijzin, verleden tijd |
| afkrijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afkrijgend | onvoltooid, deelwoord |
| afkrijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgekregen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgekregen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgekregen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgekregen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgekregen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgekregen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgekregen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg af | verleden tijd |
| krijg af | gebiedende wijs |
| te hebben afgekregen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgekregen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afkrijgen af zou(dt) krijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgekregen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afkrijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgekregen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgekregen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afkrijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afkrijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afkrijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en krijgen ww
Woordfamilie van afkrijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgekregen | voltooid deelwoord | afkrijgen |
| afkreeg | subordinate-clause, verleden tijd | afkrijgen |
| afkregen | subordinate-clause, verleden tijd | afkrijgen |
| afkrijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkrijgen |
| afkrijge | with-subordinate-clause | afkrijgen |
| afkrijgend | onvoltooid deelwoord | afkrijgen |
| afkrijgende | woordvorm | afkrijgen |
| afkrijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afkrijgen |
| kreeg af | verleden tijd | afkrijgen |
| kregen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afkrijgen |
| krijg af | gebiedende wijs | afkrijgen |
| krijge af | woordvorm | afkrijgen |
| krijgen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afkrijgen |
| krijgt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afkrijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkrijgen zijn vastgelegd.