Naar de inhoud

afkrassen

iets verwijderen met een krassende beweging

afkrassen

werkwoord ˈɑfkrɑsə(n)

Betekenis

  1. iets verwijderen met een krassende beweging

Hoe spreek je afkrassen uit?

/ˈɑfkrɑsən/

Afkrassen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfkrɑsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
k kat
r rood
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van afkrassen

afkrassenhele werkwoord — kraste afverleden tijd enkelvoud — krasten afverleden tijd meervoud — afgekrastvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kras af kraste af
jij krast af kraste af
hij, zij, het krast af kraste af
wij krassen af krasten af
jullie krassen af krasten af
zij krassen af krasten af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te krassen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen krassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal krassen bijzin, toekomende tijd
af zou krassen bijzin, voorwaardelijk
af zouden krassen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt krassen bijzin, voorwaardelijk
af zullen krassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen krassen bijzin, toekomende tijd
af zult krassen bijzin, toekomende tijd
afgekrast verleden tijd, deelwoord
afgekrast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekrast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afkras bijzin, tegenwoordige tijd
afkrassend onvoltooid, deelwoord
afkrast bijzin, tegenwoordige tijd
afkraste bijzin, verleden tijd
afkrasten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had afgekrast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgekrast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgekrast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgekrast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgekrast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgekrast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgekrast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekrast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekrast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kras af gebiedende wijs
kraste af verleden tijd
te hebben afgekrast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afkrassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afkrassen bijzin, toekomende tijd
zou afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afkrassen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afkrassen af zou(dt) krassen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afkrassen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgekrast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afkrassen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afkrassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afkrassen bijzin, toekomende tijd
zult afgekrast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afkrassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afkrassen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afkrassen af zult/zal krassen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en krassen ww

Woordfamilie van afkrassen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgekrast voltooid deelwoord afkrassen
afgekraste woordvorm afkrassen
afkras subordinate-clause, tegenwoordige tijd afkrassen
afkrasse with-subordinate-clause afkrassen
afkrassend onvoltooid deelwoord afkrassen
afkrassende woordvorm afkrassen
afkrast subordinate-clause, tegenwoordige tijd afkrassen
afkraste subordinate-clause, verleden tijd afkrassen
afkrasten subordinate-clause, verleden tijd afkrassen
kras af gebiedende wijs afkrassen
krasse af woordvorm afkrassen
krassen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afkrassen
krast af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afkrassen
kraste af verleden tijd afkrassen
krasten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afkrassen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkrassen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afkrassen

Hoe spreek je afkrassen uit?
De uitspraak van afkrassen is: /ˈɑfkrɑsə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afkrassen?
Afkrassen is een werkwoord. Het woord betekent: iets verwijderen met een krassende beweging.
Hoe vervoeg je afkrassen?
Je vervoegt afkrassen als volgt: het voltooid deelwoord is afgekrast. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afkrassen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. R 2
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afkrassen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. R 2
  5. A 1
  6. S 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afkrassen in het kort

afkrassen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afkrassen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afkrassen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afkrassen: iets verwijderen met een krassende beweging
Deel afkrassen — standaardnederlands.nl