afklemmen
werkwoordBetekenis
- met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van afklemmen
afklemmenhele werkwoord — klemde afverleden tijd enkelvoud — klemden afverleden tijd meervoud — afgeklemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klem af | klemde af |
| jij | klemt af | klemde af |
| hij, zij, het | klemt af | klemde af |
| wij | klemmen af | klemden af |
| jullie | klemmen af | klemden af |
| zij | klemmen af | klemden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te klemmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen klemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal klemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou klemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden klemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt klemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen klemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen klemmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult klemmen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeklemd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeklemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeklemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afklem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afklemde | bijzin, verleden tijd |
| afklemden | bijzin, verleden tijd |
| afklemmend | onvoltooid, deelwoord |
| afklemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is afgeklemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeklemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeklemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeklemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeklemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeklemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeklemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeklemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeklemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeklemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeklemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeklemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeklemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeklemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeklemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeklemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeklemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klem af | gebiedende wijs |
| klemde af | verleden tijd |
| te hebben afgeklemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afklemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afklemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afklemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afklemmen af zou(dt) klemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afklemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeklemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afklemmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afklemmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afklemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeklemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afklemmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afklemmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afklemmen af zult/zal klemmen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en klemmen ww
Woordfamilie van afklemmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeklemd | voltooid deelwoord | afklemmen |
| afgeklemde | woordvorm | afklemmen |
| afklem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afklemmen |
| afklemde | subordinate-clause, verleden tijd | afklemmen |
| afklemden | subordinate-clause, verleden tijd | afklemmen |
| afklemme | with-subordinate-clause | afklemmen |
| afklemmend | onvoltooid deelwoord | afklemmen |
| afklemmende | woordvorm | afklemmen |
| afklemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afklemmen |
| klem af | gebiedende wijs | afklemmen |
| klemde af | verleden tijd | afklemmen |
| klemden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afklemmen |
| klemme af | woordvorm | afklemmen |
| klemmen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afklemmen |
| klemt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afklemmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afklemmen zijn vastgelegd.