Naar de inhoud

afklemmen

met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren

afklemmen

werkwoord

Betekenis

  1. met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van afklemmen

afklemmenhele werkwoord — klemde afverleden tijd enkelvoud — klemden afverleden tijd meervoud — afgeklemdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klem af klemde af
jij klemt af klemde af
hij, zij, het klemt af klemde af
wij klemmen af klemden af
jullie klemmen af klemden af
zij klemmen af klemden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te klemmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen klemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal klemmen bijzin, toekomende tijd
af zou klemmen bijzin, voorwaardelijk
af zouden klemmen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt klemmen bijzin, voorwaardelijk
af zullen klemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen klemmen bijzin, toekomende tijd
af zult klemmen bijzin, toekomende tijd
afgeklemd verleden tijd, deelwoord
afgeklemd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeklemd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afklem bijzin, tegenwoordige tijd
afklemde bijzin, verleden tijd
afklemden bijzin, verleden tijd
afklemmend onvoltooid, deelwoord
afklemt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgeklemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeklemd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeklemd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeklemd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeklemd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeklemd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeklemd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeklemd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeklemd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeklemd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeklemd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeklemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeklemd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klem af gebiedende wijs
klemde af verleden tijd
te hebben afgeklemd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afklemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afklemmen bijzin, toekomende tijd
zou afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afklemmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afklemmen af zou(dt) klemmen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afklemmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeklemd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afklemmen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afklemmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afklemmen bijzin, toekomende tijd
zult afgeklemd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afklemmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afklemmen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afklemmen af zult/zal klemmen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en klemmen ww

Woordfamilie van afklemmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeklemd voltooid deelwoord afklemmen
afgeklemde woordvorm afklemmen
afklem subordinate-clause, tegenwoordige tijd afklemmen
afklemde subordinate-clause, verleden tijd afklemmen
afklemden subordinate-clause, verleden tijd afklemmen
afklemme with-subordinate-clause afklemmen
afklemmend onvoltooid deelwoord afklemmen
afklemmende woordvorm afklemmen
afklemt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afklemmen
klem af gebiedende wijs afklemmen
klemde af verleden tijd afklemmen
klemden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afklemmen
klemme af woordvorm afklemmen
klemmen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afklemmen
klemt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afklemmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afklemmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afklemmen

Wat is de betekenis van afklemmen?
Afklemmen is een werkwoord. De betekenis is: met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afklemmen?
Zo vervoeg je afklemmen zo: het voltooid deelwoord is afgeklemd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afklemmen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afklemmen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afklemmen in het kort

afklemmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afklemmen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afklemmen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afklemmen: met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren
Deel afklemmen — standaardnederlands.nl