Naar de inhoud

afkatten

iemand op een onvriendelijke manier toespreken

afkatten

werkwoord

Betekenis

  1. iemand op een onvriendelijke manier toespreken

Vervoeging van afkatten

afkattenhele werkwoord

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afkatten

Vervoeging van afkatten

afkattenhele werkwoord — katte afverleden tijd enkelvoud — katten afverleden tijd meervoud — afgekatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kat af katte af
jij kat af katte af
hij, zij, het kat af katte af
wij katten af katten af
jullie katten af katten af
zij katten af katten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te katten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen katten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal katten bijzin, toekomende tijd
af zou katten bijzin, voorwaardelijk
af zouden katten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt katten bijzin, voorwaardelijk
af zullen katten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen katten bijzin, toekomende tijd
af zult katten bijzin, toekomende tijd
afgekat verleden tijd, deelwoord
afgekat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgekat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgekat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgekat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgekat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgekat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgekat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgekat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afkat bijzin, tegenwoordige tijd
afkatte bijzin, verleden tijd
afkattend onvoltooid, deelwoord
ben afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgekat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgekat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgekat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgekat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgekat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgekat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgekat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgekat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgekat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgekat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgekat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgekat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kat af gebiedende wijs
katte af verleden tijd
te hebben afgekat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afkatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgekat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgekat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgekat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgekat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgekat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgekat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgekat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afkatten bijzin, toekomende tijd
zijn afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgekat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afkatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afkatten af zou(dt) katten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afkatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgekat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgekat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afkatten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afkatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afkatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afkatten bijzin, toekomende tijd
zult afgekat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgekat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgekat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘afsnauwen’ voor het eerst aangetroffen in 1970

Woordfamilie van afkatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgekat voltooid deelwoord afkatten
afgekatte woordvorm afkatten
afkat subordinate-clause, tegenwoordige tijd afkatten
afkatte subordinate-clause, verleden tijd afkatten
afkattend onvoltooid deelwoord afkatten
afkattende woordvorm afkatten
kat af gebiedende wijs afkatten
katte af verleden tijd afkatten
katten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afkatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkatten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afkatten

Wat is de betekenis van afkatten?
Afkatten is een werkwoord. De betekenis is: iemand op een onvriendelijke manier toespreken.
Hoe vervoeg ik afkatten?
Zo vervoeg je afkatten zo: het voltooid deelwoord is afgekat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afkatten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afkatten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. K 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afkatten in het kort

afkatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afkatten staan er 84 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afkatten bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afkatten: iemand op een onvriendelijke manier toespreken
Deel afkatten — standaardnederlands.nl