afgeven
werkwoord /ˈɑfɣevə(n)/Betekenis
- achterlaten op de plek van bestemming
- bij aanraking een substantie afscheiden
- op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
Hoe spreek je afgeven uit?
/ˈɑfxevən/
Afgeven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| x | acht |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ op: iets of iemand niet goed vinden en dat ook zeggen
Vervoeging van afgeven
afgevenhele werkwoord — gaf afverleden tijd enkelvoud — gaven afverleden tijd meervoud — afgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef af | gaf af |
| jij | geeft af | gaaft af |
| hij, zij, het | geeft af | gaf af |
| wij | geven af | gaven af |
| jullie | geven af | gaven af |
| zij | geven af | gaven af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| af zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| af zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| afgaaft | bijzin, verleden tijd |
| afgaf | bijzin, verleden tijd |
| afgaven | bijzin, verleden tijd |
| afgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| afgegeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgegeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgegeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgegeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgegeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgevend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf af | verleden tijd |
| geef af | gebiedende wijs |
| had afgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afgeven af zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afgeven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en geven ww
Woordfamilie van afgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgaf | subordinate-clause, verleden tijd | afgeven |
| afgaven | subordinate-clause, verleden tijd | afgeven |
| afgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afgeven |
| afgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afgeven |
| afgegeven | voltooid deelwoord | afgeven |
| afgeve | with-subordinate-clause | afgeven |
| afgevend | onvoltooid deelwoord | afgeven |
| afgevende | woordvorm | afgeven |
| gaf af | verleden tijd | afgeven |
| gaven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afgeven |
| geef af | gebiedende wijs | afgeven |
| geeft af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afgeven |
| geve af | woordvorm | afgeven |
| geven af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afgeven zijn vastgelegd.