affronteren
werkwoordBetekenis
- beledigen, krenken
Vervoeging van affronteren
affronterenhele werkwoord — affronteerdeverleden tijd enkelvoud — affronteerdenverleden tijd meervoud — geaffronteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | affronteer | affronteerde |
| jij | affronteert | affronteerde |
| hij, zij, het | affronteert | affronteerde |
| wij | affronteren | affronteerden |
| jullie | affronteren | affronteerden |
| zij | affronteren | affronteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| affronteer | gebiedende wijs |
| affronteerde | verleden tijd |
| affrontere | aanvoegende wijs |
| affronterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geaffronteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geaffronteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geaffronteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geaffronteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geaffronteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geaffronteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geaffronteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geaffronteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaffronteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geaffronteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaffronteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geaffronteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffronteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffronteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaffronteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaffronteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geaffronteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaffronteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geaffronteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaffronteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te affronteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaffronteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen affronteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geaffronteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geaffronteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geaffronteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaffronteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geaffronteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen affronteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult affronteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaffronteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaffronteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geaffronteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘krenken’ voor het eerst aangetroffen in 1678
Woordfamilie van affronteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| affronteer | gebiedende wijs | affronteren |
| affronteerde | verleden tijd | affronteren |
| affronteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | affronteren |
| affronteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | affronteren |
| affrontere | aanvoegende wijs | affronteren |
| affronterend | onvoltooid deelwoord | affronteren |
| affronterende | woordvorm | affronteren |
| geaffronteerd | voltooid deelwoord | affronteren |
| geaffronteerde | woordvorm | affronteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van affronteren zijn vastgelegd.