Naar de inhoud

afdalen

naar een lagere hoogte gaan

afdalen

werkwoord

Betekenis

  1. naar een lagere hoogte gaan
  2. naar binnen gaan

Vervoeging van afdalen

afdalenhele werkwoord — daalde afverleden tijd enkelvoud — daalden afverleden tijd meervoud — afgedaaldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik daal af daalde af
jij daalt af daalde af
hij, zij, het daalt af daalde af
wij dalen af daalden af
jullie dalen af daalden af
zij dalen af daalden af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te dalen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen dalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal dalen bijzin, toekomende tijd
af zou dalen bijzin, voorwaardelijk
af zouden dalen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt dalen bijzin, voorwaardelijk
af zullen dalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen dalen bijzin, toekomende tijd
af zult dalen bijzin, toekomende tijd
afdaal bijzin, tegenwoordige tijd
afdaalde bijzin, verleden tijd
afdaalden bijzin, verleden tijd
afdaalt bijzin, tegenwoordige tijd
afdalend onvoltooid, deelwoord
afgedaald verleden tijd, deelwoord
afgedaald te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgedaald zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
daal af gebiedende wijs
daalde af verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgedaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afdalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgedaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgedaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgedaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgedaald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgedaald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgedaald voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afdalen bijzin, toekomende tijd
zal afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn afgedaald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgedaald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afdalen bijzin, voorwaardelijk
zou afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) afdalen af zou(dt) dalen bijzin, voorwaardelijk
zouden afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afdalen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afdalen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgedaald zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen afdalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afdalen bijzin, toekomende tijd
zullen afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult afdalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afdalen bijzin, toekomende tijd
zult afgedaald zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal afdalen af zult/zal dalen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en dalen ww

Woordfamilie van afdalen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afdaal subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdalen
afdaalde subordinate-clause, verleden tijd afdalen
afdaalden subordinate-clause, verleden tijd afdalen
afdaalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afdalen
afdale with-subordinate-clause afdalen
afdalend onvoltooid deelwoord afdalen
afdalende woordvorm afdalen
afgedaald voltooid deelwoord afdalen
afgedaalde woordvorm afdalen
daal af gebiedende wijs afdalen
daalde af verleden tijd afdalen
daalden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afdalen
daalt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afdalen
dale af woordvorm afdalen
dalen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afdalen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdalen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afdalen

Wat is de betekenis van afdalen?
Afdalen is een werkwoord. De betekenis is: naar een lagere hoogte gaan. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afdalen?
Zo vervoeg je afdalen zo: het voltooid deelwoord is afgedaald. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afdalen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afdalen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. D 2
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

afdalen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

afdalen in het kort

afdalen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afdalen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afdalen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afdalen: naar een lagere hoogte gaan
Deel afdalen — standaardnederlands.nl