afboorden
werkwoordBetekenis
- van een boord voorzien
Vervoeging van afboorden
afboordenhele werkwoord — boordde afverleden tijd enkelvoud — boordden afverleden tijd meervoud — afgeboordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boord af | boordde af |
| jij | boordt af | boordde af |
| hij, zij, het | boordt af | boordde af |
| wij | boorden af | boordden af |
| jullie | boorden af | boordden af |
| zij | boorden af | boordden af |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te boorden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen boorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal boorden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou boorden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden boorden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt boorden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen boorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen boorden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult boorden | bijzin, toekomende tijd |
| afboord | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afboordde | bijzin, verleden tijd |
| afboordden | bijzin, verleden tijd |
| afboordend | onvoltooid, deelwoord |
| afboordt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgeboord | verleden tijd, deelwoord |
| afgeboord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeboord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| boord af | gebiedende wijs |
| boordde af | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afboorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afboorden | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afboorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afboorden af zou(dt) boorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afboorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afboorden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afboorden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afboorden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afboorden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afboorden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afboorden af zult/zal boorden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en boorden ww
Woordfamilie van afboorden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afboord | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afboorden |
| afboordde | subordinate-clause, verleden tijd | afboorden |
| afboordden | subordinate-clause, verleden tijd | afboorden |
| afboorde | with-subordinate-clause | afboorden |
| afboordend | onvoltooid deelwoord | afboorden |
| afboordende | woordvorm | afboorden |
| afboordt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afboorden |
| afgeboord | voltooid deelwoord | afboorden |
| afgeboorde | woordvorm | afboorden |
| boord af | gebiedende wijs | afboorden |
| boordde af | verleden tijd | afboorden |
| boordden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afboorden |
| boorde af | woordvorm | afboorden |
| boorden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afboorden |
| boordt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afboorden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afboorden zijn vastgelegd.