adjunct
zelfstandig naamwoord ɑtˈjʏŋktBetekenis
- ambtenaar of functionaris, aan een hogere toegevoegd om deze in zijn ambtsbezigheden bij te staan en bij afwezigheid te vervangen
Hoe spreek je adjunct uit?
/ɑtˈjʏŋkt/
Adjunct bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| t | tak |
| j | ja |
| ʏ | put |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adjuncten | meervoud |
| adjunctje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adjunctjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toegevoegd functionaris’ voor het eerst aangetroffen in 1503
Woordfamilie van adjunct
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adjuncten | meervoud | adjunct |
| adjunctje | verkleinwoord | adjunct |
| adjunctjes | verkleinwoord meervoud | adjunct |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adjunct zijn vastgelegd.