adelen
werkwoordBetekenis
- in de adelstand verheffen
- het laten besterven van wild
Vervoeging van adelen
adelenhele werkwoord — adeldeverleden tijd enkelvoud — adeldenverleden tijd meervoud — geadeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | adel | adelde |
| jij | adelt | adelde |
| hij, zij, het | adelt | adelde |
| wij | adelen | adelden |
| jullie | adelen | adelden |
| zij | adelen | adelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| adel | gebiedende wijs |
| adelde | verleden tijd |
| adele | aanvoegende wijs |
| adelend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geadeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geadeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geadeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geadeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geadeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geadeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geadeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geadeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geadeld | verleden tijd, deelwoord |
| geadeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geadeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geadeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geadeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geadeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geadeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geadeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geadeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geadeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geadeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geadeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geadeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geadeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geadeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geadeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te adelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geadeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen adelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geadeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geadeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geadeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geadeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geadeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geadeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geadeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geadeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt adelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geadeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geadeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen adelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult adelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geadeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geadeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geadeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van adel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van adelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adelde | verleden tijd | adelen |
| adelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | adelen |
| adele | aanvoegende wijs | adelen |
| adelend | onvoltooid deelwoord | adelen |
| adelende | woordvorm | adelen |
| adelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | adelen |
| geadeld | voltooid deelwoord | adelen |
| geadelde | woordvorm | adelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adelen zijn vastgelegd.