aanzien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈanzinBetekenis
- kijken naar
- ~ voor: beschouwen als
- dulden, tolereren, kijken zonder te handelen
- hoe iets of iemand door anderen gezien wordt
- voorkomen, reputatie, sociale status
- achting
Hoe spreek je aanzien uit?
/ˈanzin/
Aanzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| z | zon |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanzien
aanzienhele werkwoord — zag aanverleden tijd enkelvoud — zagen aanverleden tijd meervoud — aangezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie aan | zag aan |
| jij | ziet aan | zaagt aan |
| hij, zij, het | ziet aan | zag aan |
| wij | zien aan | zagen aan |
| jullie | zien aan | zagen aan |
| zij | zien aan | zagen aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| aangezien | verleden tijd, deelwoord |
| aangezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanzaagt | bijzin, verleden tijd |
| aanzag | bijzin, verleden tijd |
| aanzagen | bijzin, verleden tijd |
| aanzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanziend | onvoltooid, deelwoord |
| aanziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag aan | verleden tijd |
| zal aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanzien | bijzin, toekomende tijd |
| zie aan | gebiedende wijs |
| zijn aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanzien aan zou(dt) zien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanzien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanzien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanzien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en zien ww
Woordfamilie van aanzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeziene | woordvorm | aanzien |
| aanzag | subordinate-clause, verleden tijd | aanzien |
| aanzagen | subordinate-clause, verleden tijd | aanzien |
| aanzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanzien |
| aanziend | onvoltooid deelwoord | aanzien |
| aanziende | woordvorm | aanzien |
| aanziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanzien |
| zag aan | verleden tijd | aanzien |
| zagen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanzien |
| zie aan | gebiedende wijs | aanzien |
| zien aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanzien |
| ziet aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzien zijn vastgelegd.