aanzet
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈanzɛtBetekenis
- begin
- aansporing
- plaats waar een onderdeel van een constructie begint of aansluit
- het optionele eerste deel van een lettergreep, altijd bestaand uit een of meer medeklinkers
- de wijze waarop een muzikaal geluid begint
Hoe spreek je aanzet uit?
/ˈanzɛt/
Aanzet bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanzetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanzetjes | verkleinwoord, meervoud |
| aanzetten | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanzetten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanzetten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanzetten
Vervoeging van aanzet
aanzethele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van aanzetten
Woordfamilie van aanzet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanzetje | verkleinwoord | aanzet |
| aanzetjes | verkleinwoord meervoud | aanzet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzet zijn vastgelegd.