Naar de inhoud

aanzeggen

iemand iets enigszins plechtig laten weten

aanzeggen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand iets enigszins plechtig laten weten

Vervoeging van aanzeggen

aanzeggenhele werkwoord — zegde aanverleden tijd enkelvoud — zegden aanverleden tijd meervoud — aangezegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeg aan zegde aan
jij zegt aan zegde aan
hij, zij, het zegt aan zegde aan
wij zeggen aan zegden aan
jullie zeggen aan zegden aan
zij zeggen aan zegden aan
Alle 149 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te zeggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal zeggen bijzin, toekomende tijd
aan zou zeggen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden zeggen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt zeggen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen zeggen bijzin, toekomende tijd
aan zult zeggen bijzin, toekomende tijd
aangezegd verleden tijd, deelwoord
aangezegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangezegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangezegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangezegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangezegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangezegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangezegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangezegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangezegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangezegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanzeg bijzin, tegenwoordige tijd
aanzegde bijzin, verleden tijd
aanzegden bijzin, verleden tijd
aanzegdet, aanzeidet bijzin, verleden tijd
aanzeggend onvoltooid, deelwoord
aanzegt bijzin, tegenwoordige tijd
aanzei bijzin, verleden tijd
aanzeiden bijzin, verleden tijd
ben aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangezegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangezegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangezegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangezegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangezegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangezegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanzeggen bijzin, toekomende tijd
zeg aan gebiedende wijs
zegde aan verleden tijd
zei aan verleden tijd
zijn aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanzeggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanzeggen aan zou(dt) zeggen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanzeggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanzeggen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangezegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van aan en zeggen ww

Woordfamilie van aanzeggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangezegd voltooid deelwoord aanzeggen
aangezegde woordvorm aanzeggen
aanzeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanzeggen
aanzegde subordinate-clause, verleden tijd aanzeggen
aanzegden subordinate-clause, verleden tijd aanzeggen
aanzegge with-subordinate-clause aanzeggen
aanzeggend onvoltooid deelwoord aanzeggen
aanzeggende woordvorm aanzeggen
aanzegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanzeggen
aanzei subordinate-clause, verleden tijd aanzeggen
aanzeiden subordinate-clause, verleden tijd aanzeggen
zeg aan gebiedende wijs aanzeggen
zegde aan verleden tijd aanzeggen
zegden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanzeggen
zegge aan woordvorm aanzeggen
zeggen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanzeggen
zegt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanzeggen
zei aan verleden tijd aanzeggen
zeiden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanzeggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzeggen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanzeggen

Wat is de betekenis van aanzeggen?
Aanzeggen is een werkwoord. De betekenis is: iemand iets enigszins plechtig laten weten.
Hoe vervoeg ik aanzeggen?
Zo vervoeg je aanzeggen zo: het voltooid deelwoord is aangezegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanzeggen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. Z 4
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanzeggen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. Z 5
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanzeggen in het kort

aanzeggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanzeggen staan er 94 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanzeggen bij een woordfamilie van 19 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanzeggen: iemand iets enigszins plechtig laten weten
Deel aanzeggen — standaardnederlands.nl