aanwijzen
werkwoord ˈaɱwɛizə(n)Betekenis
- door wijzen tonen
- tonen
- aanstellen
Hoe spreek je aanwijzen uit?
/ˈamwɛizən/
Aanwijzen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanwijzen
aanwijzenhele werkwoord — wees aanverleden tijd enkelvoud — wezen aanverleden tijd meervoud — aangewezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijs aan | wees aan |
| jij | wijst aan | wees aan |
| hij, zij, het | wijst aan | wees aan |
| wij | wijzen aan | wezen aan |
| jullie | wijzen aan | wezen aan |
| zij | wijzen aan | wezen aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te wijzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen wijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal wijzen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou wijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden wijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt wijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen wijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen wijzen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult wijzen | bijzin, toekomende tijd |
| aangewezen | verleden tijd, deelwoord |
| aangewezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangewezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangewezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangewezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanwees | bijzin, verleden tijd |
| aanwezen | bijzin, verleden tijd |
| aanwijs | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwijst | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwijzend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangewezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangewezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangewezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangewezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangewezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangewezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangewezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangewezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangewezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanwijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangewezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangewezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangewezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wees aan | verleden tijd |
| werd aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wijs aan | gebiedende wijs |
| word aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangewezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanwijzen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangewezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanwijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanwijzen aan zou(dt) wijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanwijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangewezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangewezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanwijzen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangewezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanwijzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanwijzen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanwijzen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangewezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan en wijzen
Woordfamilie van aanwijzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanwees | subordinate-clause, verleden tijd | aanwijzen |
| aanwijs | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwijzen |
| aanwijst | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwijzen |
| aanwijze | with-subordinate-clause | aanwijzen |
| wees aan | verleden tijd | aanwijzen |
| wezen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanwijzen |
| wijs aan | gebiedende wijs | aanwijzen |
| wijst aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanwijzen |
| wijze aan | woordvorm | aanwijzen |
| wijzen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanwijzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwijzen zijn vastgelegd.