Naar de inhoud

aanwerpen

van kleding dat men deze zeer snel en slordig aantrekt

aanwerpen

werkwoord

Betekenis

  1. van kleding dat men deze zeer snel en slordig aantrekt

Vervoeging van aanwerpen

aanwerpenhele werkwoord — wierp aanverleden tijd enkelvoud — wierpen aanverleden tijd meervoud — aangeworpenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werp aan wierp aan
jij werpt aan wierp aan
hij, zij, het werpt aan wierp aan
wij werpen aan wierpen aan
jullie werpen aan wierpen aan
zij werpen aan wierpen aan
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te werpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal werpen bijzin, toekomende tijd
aan zou werpen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden werpen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt werpen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen werpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen werpen bijzin, toekomende tijd
aan zult werpen bijzin, toekomende tijd
aangeworpen verleden tijd, deelwoord
aangeworpen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeworpen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanwerp bijzin, tegenwoordige tijd
aanwerpend onvoltooid, deelwoord
aanwerpt bijzin, tegenwoordige tijd
aanwierp bijzin, verleden tijd
aanwierpen bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeworpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeworpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeworpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeworpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangeworpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanwerpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
werp aan gebiedende wijs
wierp aan verleden tijd
zal aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanwerpen bijzin, toekomende tijd
zou aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanwerpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanwerpen aan zou(dt) werpen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanwerpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeworpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanwerpen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanwerpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanwerpen bijzin, toekomende tijd
zult aangeworpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanwerpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanwerpen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanwerpen aan zult/zal werpen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan bw en werpen ww

Woordfamilie van aanwerpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeworpen voltooid deelwoord aanwerpen
aanwerp subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanwerpen
aanwerpe with-subordinate-clause aanwerpen
aanwerpend onvoltooid deelwoord aanwerpen
aanwerpende woordvorm aanwerpen
aanwerpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanwerpen
aanwierp subordinate-clause, verleden tijd aanwerpen
aanwierpen subordinate-clause, verleden tijd aanwerpen
werp aan gebiedende wijs aanwerpen
werpe aan woordvorm aanwerpen
werpen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanwerpen
werpt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanwerpen
wierp aan verleden tijd aanwerpen
wierpen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanwerpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwerpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanwerpen

Wat betekent aanwerpen?
Aanwerpen is een werkwoord. Het woord betekent: van kleding dat men deze zeer snel en slordig aantrekt.
Hoe vervoeg je aanwerpen?
Je vervoegt aanwerpen als volgt: het voltooid deelwoord is aangeworpen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanwerpen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanwerpen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. W 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanwerpen in het kort

aanwerpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van aanwerpen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanwerpen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanwerpen: van kleding dat men deze zeer snel en slordig aantrekt
Deel aanwerpen — standaardnederlands.nl