aanwaaien
werkwoord ˈaɱwajə(n)Betekenis
- erheen waaien
- zonder moeite in iemands bezit raken
Hoe spreek je aanwaaien uit?
/ˈamwajən/
Aanwaaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| w | quiz |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanwaaien
aanwaaienhele werkwoord — waaide aanverleden tijd enkelvoud — waaiden aanverleden tijd meervoud — aangewaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waai aan | waaide aan |
| jij | waait aan | waaide aan |
| hij, zij, het | waait aan | waaide aan |
| wij | waaien aan | waaiden aan |
| jullie | waaien aan | waaiden aan |
| zij | waaien aan | waaiden aan |
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te waaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen waaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen waaien | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult waaien | bijzin, toekomende tijd |
| aangewaaid | verleden tijd, deelwoord |
| aangewaaid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangewaaid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanwaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwaaide | bijzin, verleden tijd |
| aanwaaiden | bijzin, verleden tijd |
| aanwaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| aanwaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanwoei | bijzin, verleden tijd |
| aanwoeien | bijzin, verleden tijd |
| ben aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aangewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waai aan | gebiedende wijs |
| waaide aan | verleden tijd |
| waart aangewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangewaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangewaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangewaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| woei aan | verleden tijd |
| zal aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangewaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangewaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanwaaien aan zou(dt) waaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangewaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangewaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanwaaien aan zult/zal waaien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en waaien ww
Woordfamilie van aanwaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangewaaid | voltooid deelwoord | aanwaaien |
| aangewaaide | woordvorm | aanwaaien |
| aanwaai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwaaien |
| aanwaaide | subordinate-clause, verleden tijd | aanwaaien |
| aanwaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | aanwaaien |
| aanwaaie | with-subordinate-clause | aanwaaien |
| aanwaaiend | onvoltooid deelwoord | aanwaaien |
| aanwaaiende | woordvorm | aanwaaien |
| aanwaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanwaaien |
| aanwoei | subordinate-clause, verleden tijd | aanwaaien |
| aanwoeien | subordinate-clause, verleden tijd | aanwaaien |
| waai aan | gebiedende wijs | aanwaaien |
| waaide aan | verleden tijd | aanwaaien |
| waaiden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanwaaien |
| waaie aan | woordvorm | aanwaaien |
| waaien aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanwaaien |
| waait aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanwaaien |
| woei aan | verleden tijd | aanwaaien |
| woeien aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanwaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanwaaien zijn vastgelegd.