aanvullen
werkwoord ˈaɱvʏlə(n)Betekenis
- het ontbrekende bijvoegen
- samen een compleet geheel maken
Hoe spreek je aanvullen uit?
/ˈamvʏlən/
Aanvullen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| ʏ | put |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanvullen
aanvullenhele werkwoord — vulde aanverleden tijd enkelvoud — vulden aanverleden tijd meervoud — aangevuldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vul aan | vulde aan |
| jij | vult aan | vulde aan |
| hij, zij, het | vult aan | vulde aan |
| wij | vullen aan | vulden aan |
| jullie | vullen aan | vulden aan |
| zij | vullen aan | vulden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te vullen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vullen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vullen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vullen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vullen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vullen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vullen | bijzin, toekomende tijd |
| aangevuld | verleden tijd, deelwoord |
| aangevuld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevuld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevuld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevuld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevuld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevuld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevuld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevuld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvul | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvulde | bijzin, verleden tijd |
| aanvulden | bijzin, verleden tijd |
| aanvullend | onvoltooid, deelwoord |
| aanvult | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevuld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevuld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevuld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevuld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevuld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevuld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevuld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevuld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vul aan | gebiedende wijs |
| vulde aan | verleden tijd |
| waart aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevuld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevuld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvullen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvullen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvullen aan zou(dt) vullen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvullen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvullen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevuld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevuld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevuld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvullen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvullen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en vullen ww
Woordfamilie van aanvullen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevuld | voltooid deelwoord | aanvullen |
| aangevulde | woordvorm | aanvullen |
| aanvul | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvullen |
| aanvulde | subordinate-clause, verleden tijd | aanvullen |
| aanvulden | subordinate-clause, verleden tijd | aanvullen |
| aanvulle | with-subordinate-clause | aanvullen |
| aanvult | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvullen |
| vul aan | gebiedende wijs | aanvullen |
| vulde aan | verleden tijd | aanvullen |
| vulden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanvullen |
| vulle aan | woordvorm | aanvullen |
| vullen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvullen |
| vult aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanvullen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvullen zijn vastgelegd.