aanvatten
werkwoord ˈaɱvɑtə(n)Betekenis
- aanpakken
- ondernemen
Hoe spreek je aanvatten uit?
/ˈamvɑtən/
Aanvatten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanvatten
aanvattenhele werkwoord — vatte aanverleden tijd enkelvoud — vatten aanverleden tijd meervoud — aangevatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vat aan | vatte aan |
| jij | vat aan | vatte aan |
| hij, zij, het | vat aan | vatte aan |
| wij | vatten aan | vatten aan |
| jullie | vatten aan | vatten aan |
| zij | vatten aan | vatten aan |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te vatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aangevat | verleden tijd, deelwoord |
| aangevat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvatte | bijzin, verleden tijd |
| aanvattend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vat aan | gebiedende wijs |
| vatte aan | verleden tijd |
| waart aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvatten aan zou(dt) vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van aanvatten
Vervoeging van aanvatten
aanvattenhele werkwoord — vatte aanverleden tijd enkelvoud — vatten aanverleden tijd meervoud — aangevatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vat aan | vatte aan |
| jij | vat aan | vatte aan |
| hij, zij, het | vat aan | vatte aan |
| wij | vatten aan | vatten aan |
| jullie | vatten aan | vatten aan |
| zij | vatten aan | vatten aan |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te vatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult vatten | bijzin, toekomende tijd |
| aangevat | verleden tijd, deelwoord |
| aangevat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangevat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangevat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangevat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanvat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanvatte | bijzin, verleden tijd |
| aanvattend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangevat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangevat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangevat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangevat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangevat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangevat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vat aan | gebiedende wijs |
| vatte aan | verleden tijd |
| waart aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanvatten aan zou(dt) vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en vatten ww
Woordfamilie van aanvatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangevat | voltooid deelwoord | aanvatten |
| aangevatte | woordvorm | aanvatten |
| aanvat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanvatten |
| aanvatte | subordinate-clause, verleden tijd | aanvatten |
| aanvattend | onvoltooid deelwoord | aanvatten |
| aanvattende | woordvorm | aanvatten |
| vat aan | gebiedende wijs | aanvatten |
| vatte aan | verleden tijd | aanvatten |
| vatten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanvatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanvatten zijn vastgelegd.