aantreden
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈantredə(n)Betekenis
- in het gelid gaan staan
- beginnen te werken
Hoe spreek je aantreden uit?
/ˈantredən/
Aantreden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aantreden
aantredenhele werkwoord — trad aanverleden tijd enkelvoud — traden aanverleden tijd meervoud — aangetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed aan | trad aan |
| jij | treedt aan | trad aan |
| hij, zij, het | treedt aan | trad aan |
| wij | treden aan | traden aan |
| jullie | treden aan | traden aan |
| zij | treden aan | traden aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| aangetreden | verleden tijd, deelwoord |
| aangetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aantrad | bijzin, verleden tijd |
| aantraden | bijzin, verleden tijd |
| aantredend | onvoltooid, deelwoord |
| aantreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aantreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn aangetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aantreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trad aan | verleden tijd |
| treed aan | gebiedende wijs |
| waart aangetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aantreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aantreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aantreden aan zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aantreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aantreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aantreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aantreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aantreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aantreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aantreden aan zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aantree
Herkomst
samenstelling van aan vz en treden ww
Woordfamilie van aantreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangetreden | voltooid deelwoord | aantreden |
| aantrad | subordinate-clause, verleden tijd | aantreden |
| aantraden | subordinate-clause, verleden tijd | aantreden |
| aantrede | with-subordinate-clause | aantreden |
| aantredend | onvoltooid deelwoord | aantreden |
| aantredende | woordvorm | aantreden |
| aantreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantreden |
| aantreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantreden |
| trad aan | verleden tijd | aantreden |
| traden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aantreden |
| trede aan | woordvorm | aantreden |
| treden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aantreden |
| treed aan | gebiedende wijs | aantreden |
| treedt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aantreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aantreden zijn vastgelegd.