aantrappen
werkwoord ˈantrɑpə(n)Betekenis
- met een trapbeweging starten
- aanstampen
Hoe spreek je aantrappen uit?
/ˈantrɑpən/
Aantrappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aantrappen
aantrappenhele werkwoord — trapte aanverleden tijd enkelvoud — trapten aanverleden tijd meervoud — aangetraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trap aan | trapte aan |
| jij | trapt aan | trapte aan |
| hij, zij, het | trapt aan | trapte aan |
| wij | trappen aan | trapten aan |
| jullie | trappen aan | trapten aan |
| zij | trappen aan | trapten aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te trappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal trappen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen trappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen trappen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult trappen | bijzin, toekomende tijd |
| aangetrapt | verleden tijd, deelwoord |
| aangetrapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangetrapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangetrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangetrapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangetrapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangetrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangetrapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangetrapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aantrap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aantrappend | onvoltooid, deelwoord |
| aantrapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aantrapte | bijzin, verleden tijd |
| aantrapten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangetrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangetrapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangetrapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangetrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangetrapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangetrapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangetrapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangetrapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangetrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aantrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trap aan | gebiedende wijs |
| trapte aan | verleden tijd |
| waart aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangetrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangetrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangetrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangetrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangetrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangetrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aantrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangetrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aantrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aantrappen aan zou(dt) trappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aantrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangetrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangetrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aantrappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangetrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangetrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangetrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangetrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aantrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aantrappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aantrappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangetrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
[1] samenstelling van aan bw en trappen ww
Woordfamilie van aantrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangetrapt | voltooid deelwoord | aantrappen |
| aangetrapte | woordvorm | aantrappen |
| aantrap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantrappen |
| aantrappe | with-subordinate-clause | aantrappen |
| aantrappend | onvoltooid deelwoord | aantrappen |
| aantrappende | woordvorm | aantrappen |
| aantrapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aantrappen |
| aantrapte | subordinate-clause, verleden tijd | aantrappen |
| aantrapten | subordinate-clause, verleden tijd | aantrappen |
| trap aan | gebiedende wijs | aantrappen |
| trappe aan | woordvorm | aantrappen |
| trappen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aantrappen |
| trapt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aantrappen |
| trapte aan | verleden tijd | aantrappen |
| trapten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aantrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aantrappen zijn vastgelegd.