aanstrijken
werkwoord ˈanstrɛikə(n)Betekenis
- langs iets strijken
- voegen, dichtsmeren
- doen ontbranden
Hoe spreek je aanstrijken uit?
/ˈanstrɛikən/
Aanstrijken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanstrijken
aanstrijkenhele werkwoord — streek aanverleden tijd enkelvoud — streken aanverleden tijd meervoud — aangestrekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | strijk aan | streek aan |
| jij | strijkt aan | streek aan |
| hij, zij, het | strijkt aan | streek aan |
| wij | strijken aan | streken aan |
| jullie | strijken aan | streken aan |
| zij | strijken aan | streken aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te strijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen strijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal strijken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou strijken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden strijken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt strijken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen strijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen strijken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult strijken | bijzin, toekomende tijd |
| aangestreken | verleden tijd, deelwoord |
| aangestreken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestreken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestreken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestreken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestreken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestreken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestreken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestreken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestreken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestreken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstreek | bijzin, verleden tijd |
| aanstreekt | bijzin, verleden tijd |
| aanstreken | bijzin, verleden tijd |
| aanstrijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstrijkend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstrijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangestreken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangestreken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangestreken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangestreken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangestreken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangestreken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangestreken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangestreken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestreken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| streek aan | verleden tijd |
| strijk aan | gebiedende wijs |
| te hebben aangestreken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanstrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangestreken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangestreken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangestreken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangestreken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangestreken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestreken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanstrijken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangestreken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanstrijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanstrijken aan zou(dt) strijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanstrijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestreken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestreken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanstrijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestreken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangestreken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestreken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestreken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestreken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanstrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanstrijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanstrijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en strijken ww
Woordfamilie van aanstrijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangestreken | voltooid deelwoord | aanstrijken |
| aanstreek | subordinate-clause, verleden tijd | aanstrijken |
| aanstreken | subordinate-clause, verleden tijd | aanstrijken |
| aanstrijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstrijken |
| aanstrijke | with-subordinate-clause | aanstrijken |
| aanstrijkend | onvoltooid deelwoord | aanstrijken |
| aanstrijkende | woordvorm | aanstrijken |
| aanstrijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanstrijken |
| streek aan | verleden tijd | aanstrijken |
| streken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanstrijken |
| strijk aan | gebiedende wijs | aanstrijken |
| strijke aan | woordvorm | aanstrijken |
| strijken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanstrijken |
| strijkt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanstrijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanstrijken zijn vastgelegd.