aansterven
werkwoord ˈanstɛrvə(n)Betekenis
- door vererving ten deel vallen
Hoe spreek je aansterven uit?
/ˈanstɛrvən/
Aansterven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aansterven
aanstervenhele werkwoord — stierf aanverleden tijd enkelvoud — stierven aanverleden tijd meervoud — aangestorvenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sterf aan | stierf aan |
| jij | sterft aan | stierf aan |
| hij, zij, het | sterft aan | stierf aan |
| wij | sterven aan | stierven aan |
| jullie | sterven aan | stierven aan |
| zij | sterven aan | stierven aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te sterven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal sterven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen sterven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult sterven | bijzin, toekomende tijd |
| aangestorven | verleden tijd, deelwoord |
| aangestorven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestorven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aansterf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansterft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstervend | onvoltooid, deelwoord |
| aanstierf | bijzin, verleden tijd |
| aanstierven | bijzin, verleden tijd |
| ben aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sterf aan | gebiedende wijs |
| stierf aan | verleden tijd |
| te zijn aangestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aansterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aansterven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aansterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aansterven aan zou(dt) sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aansterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aansterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aansterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aansterven | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aansterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aansterven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aansterven aan zult/zal sterven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan en sterven
Woordfamilie van aansterven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangestorven | voltooid deelwoord | aansterven |
| aansterf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansterven |
| aansterft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansterven |
| aansterve | with-subordinate-clause | aansterven |
| aanstervend | onvoltooid deelwoord | aansterven |
| aanstervende | woordvorm | aansterven |
| aanstierf | subordinate-clause, verleden tijd | aansterven |
| aanstierven | subordinate-clause, verleden tijd | aansterven |
| sterf aan | gebiedende wijs | aansterven |
| sterft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aansterven |
| sterve aan | woordvorm | aansterven |
| sterven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aansterven |
| stierf aan | verleden tijd | aansterven |
| stierven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aansterven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aansterven zijn vastgelegd.