aansteken
werkwoord ˈanstekə(n)Betekenis
- doen ontbranden
- met iets scherps vastmaken
- beginnen uit iets te tappen
- besmetten met een begin van rotting
- het herstellen van een gebroken of beschadigde staart- of vleugelpen met behulp van een aansteeknaald
Hoe spreek je aansteken uit?
/ˈanstekən/
Aansteken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aansteken
aanstekenhele werkwoord — stak aanverleden tijd enkelvoud — staken aanverleden tijd meervoud — aangestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek aan | stak aan |
| jij | steekt aan | staakt aan |
| hij, zij, het | steekt aan | stak aan |
| wij | steken aan | staken aan |
| jullie | steken aan | staken aan |
| zij | steken aan | staken aan |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| aangestoken | verleden tijd, deelwoord |
| aangestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanstaakt | bijzin, verleden tijd |
| aanstak | bijzin, verleden tijd |
| aanstaken | bijzin, verleden tijd |
| aansteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aansteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanstekend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stak aan | verleden tijd |
| steek aan | gebiedende wijs |
| te hebben aangestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aansteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aansteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aansteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aansteken aan zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aansteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aansteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aansteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aansteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aansteken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en steken ww
Woordfamilie van aansteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanstak | subordinate-clause, verleden tijd | aansteken |
| aanstaken | subordinate-clause, verleden tijd | aansteken |
| aansteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansteken |
| aansteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aansteken |
| aansteke | with-subordinate-clause | aansteken |
| stak aan | verleden tijd | aansteken |
| staken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aansteken |
| steek aan | gebiedende wijs | aansteken |
| steekt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aansteken |
| steke aan | woordvorm | aansteken |
| steken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aansteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aansteken zijn vastgelegd.