aanslibben
werkwoord ˈanslɪpə(n)Betekenis
- groter worden of ontstaan door slibben
Hoe spreek je aanslibben uit?
/ˈanslɪpən/
Aanslibben bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanslibben
aanslibbenhele werkwoord — slibde aanverleden tijd enkelvoud — slibden aanverleden tijd meervoud — aangeslibdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slib aan | slibde aan |
| jij | slibt aan | slibde aan |
| hij, zij, het | slibt aan | slibde aan |
| wij | slibben aan | slibden aan |
| jullie | slibben aan | slibden aan |
| zij | slibben aan | slibden aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te slibben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen slibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal slibben | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen slibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen slibben | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult slibben | bijzin, toekomende tijd |
| aangeslibd | verleden tijd, deelwoord |
| aangeslibd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeslibd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanslib | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanslibbend | onvoltooid, deelwoord |
| aanslibde | bijzin, verleden tijd |
| aanslibden | bijzin, verleden tijd |
| aanslibt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slib aan | gebiedende wijs |
| slibde aan | verleden tijd |
| te zijn aangeslibd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanslibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeslibd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeslibd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeslibd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeslibd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeslibd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangeslibd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeslibd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanslibben aan zou(dt) slibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeslibd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanslibben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanslibben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeslibd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanslibben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanslibben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanslibben aan zult/zal slibben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en slibben ww
Woordfamilie van aanslibben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeslibd | voltooid deelwoord | aanslibben |
| aangeslibde | woordvorm | aanslibben |
| aanslib | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanslibben |
| aanslibbe | with-subordinate-clause | aanslibben |
| aanslibbend | onvoltooid deelwoord | aanslibben |
| aanslibbende | woordvorm | aanslibben |
| aanslibde | subordinate-clause, verleden tijd | aanslibben |
| aanslibden | subordinate-clause, verleden tijd | aanslibben |
| aanslibt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanslibben |
| slib aan | gebiedende wijs | aanslibben |
| slibbe aan | woordvorm | aanslibben |
| slibben aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanslibben |
| slibde aan | verleden tijd | aanslibben |
| slibden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanslibben |
| slibt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanslibben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanslibben zijn vastgelegd.