Naar de inhoud

aanslepen

met moeite of in grote hoeveelheden aandragen

aanslepen

werkwoord ˈanslepə(n)

Betekenis

  1. met moeite of in grote hoeveelheden aandragen
  2. lang duren
  3. achter zich ~: met zich meetrekken

Hoe spreek je aanslepen uit?

/ˈanslepən/

Aanslepen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanslepən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
s sok
l land
e veel
p pak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanslepen

aanslepenhele werkwoord — sleepte aanverleden tijd enkelvoud — sleepten aanverleden tijd meervoud — aangesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep aan sleepte aan
jij sleept aan sleepte aan
hij, zij, het sleept aan sleepte aan
wij slepen aan sleepten aan
jullie slepen aan sleepten aan
zij slepen aan sleepten aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal slepen bijzin, toekomende tijd
aan zou slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen slepen bijzin, toekomende tijd
aan zult slepen bijzin, toekomende tijd
aangesleept verleden tijd, deelwoord
aangesleept te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangesleept te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangesleept zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangesleept zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangesleept zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aansleep bijzin, tegenwoordige tijd
aansleept bijzin, tegenwoordige tijd
aansleepte bijzin, verleden tijd
aansleepten bijzin, verleden tijd
aanslepend onvoltooid, deelwoord
ben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangesleept impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangesleept impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangesleept worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangesleept zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangesleept worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangesleept zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep aan gebiedende wijs
sleepte aan verleden tijd
te hebben aangesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanslepen bijzin, toekomende tijd
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanslepen aan zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanslepen bijzin, toekomende tijd
zult aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van aanslijpen

Vervoeging van aanslepen

aanslepenhele werkwoord — sleepte aanverleden tijd enkelvoud — sleepten aanverleden tijd meervoud — aangesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep aan sleepte aan
jij sleept aan sleepte aan
hij, zij, het sleept aan sleepte aan
wij slepen aan sleepten aan
jullie slepen aan sleepten aan
zij slepen aan sleepten aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal slepen bijzin, toekomende tijd
aan zou slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen slepen bijzin, toekomende tijd
aan zult slepen bijzin, toekomende tijd
aangesleept verleden tijd, deelwoord
aangesleept te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangesleept te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangesleept worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangesleept zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangesleept zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangesleept zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aansleep bijzin, tegenwoordige tijd
aansleept bijzin, tegenwoordige tijd
aansleepte bijzin, verleden tijd
aansleepten bijzin, verleden tijd
aanslepend onvoltooid, deelwoord
ben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangesleept impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangesleept impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangesleept impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangesleept worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangesleept zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangesleept worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangesleept zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep aan gebiedende wijs
sleepte aan verleden tijd
te hebben aangesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangesleept enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanslepen bijzin, toekomende tijd
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanslepen aan zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangesleept zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangesleept worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangesleept zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanslepen bijzin, toekomende tijd
zult aangesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en slepen ww

Woordfamilie van aanslepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangesleept voltooid deelwoord aanslepen
aangesleepte woordvorm aanslepen
aansleept subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanslepen
aansleepte subordinate-clause, verleden tijd aanslepen
aansleepten subordinate-clause, verleden tijd aanslepen
aanslepe with-subordinate-clause aanslepen
aanslepend onvoltooid deelwoord aanslepen
aanslepende woordvorm aanslepen
sleept aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanslepen
sleepte aan verleden tijd aanslepen
sleepten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanslepen
slepe aan woordvorm aanslepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanslepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanslepen

Hoe spreek ik aanslepen uit?
Zo spreek je aanslepen uit: /ˈanslepə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanslepen?
Aanslepen is een werkwoord. De betekenis is: met moeite of in grote hoeveelheden aandragen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanslepen?
Zo vervoeg je aanslepen zo: het voltooid deelwoord is aangesleept. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanslepen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanslepen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanslepen in het kort

aanslepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanslepen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanslepen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanslepen: met moeite of in grote hoeveelheden aandragen
Deel aanslepen — standaardnederlands.nl