aanschrijden
werkwoord ˈansxrɛidə(n)Betekenis
- aanlopen
Hoe spreek je aanschrijden uit?
/ˈansxrɛidən/
Aanschrijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanschrijden
aanschrijdenhele werkwoord — schreed aanverleden tijd enkelvoud — schreden aanverleden tijd meervoud — aangeschredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrijd aan | schreed aan |
| jij | schrijdt aan | schreed aan |
| hij, zij, het | schrijdt aan | schreed aan |
| wij | schrijden aan | schreden aan |
| jullie | schrijden aan | schreden aan |
| zij | schrijden aan | schreden aan |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te schrijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen schrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal schrijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou schrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden schrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt schrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen schrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen schrijden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult schrijden | bijzin, toekomende tijd |
| aangeschreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeschreden | verleden tijd, deelwoord |
| aangeschreden te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeschreden zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanschreden | bijzin, verleden tijd |
| aanschreed | bijzin, verleden tijd |
| aanschrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanschrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| aanschrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| schreed aan | verleden tijd |
| schrijd aan | gebiedende wijs |
| te aangeschreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanschrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanschrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanschrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanschrijden aan zou(dt) schrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanschrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanschrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aanschrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanschrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult aanschrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanschrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanschrijden aan zult/zal schrijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan en schrijden
Woordfamilie van aanschrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeschreden | voltooid deelwoord | aanschrijden |
| aanschreden | subordinate-clause, verleden tijd | aanschrijden |
| aanschreed | subordinate-clause, verleden tijd | aanschrijden |
| aanschrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanschrijden |
| aanschrijde | with-subordinate-clause | aanschrijden |
| aanschrijdend | onvoltooid deelwoord | aanschrijden |
| aanschrijdende | woordvorm | aanschrijden |
| aanschrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanschrijden |
| schreden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanschrijden |
| schreed aan | verleden tijd | aanschrijden |
| schrijd aan | gebiedende wijs | aanschrijden |
| schrijde aan | woordvorm | aanschrijden |
| schrijden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanschrijden |
| schrijdt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanschrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanschrijden zijn vastgelegd.