aanschakelen
werkwoord ˈansxakələ(n)Betekenis
- door schakelen of met schakels verbinden aan
- met een schakelaar in werking stellen
Hoe spreek je aanschakelen uit?
/ˈansxakələn/
Aanschakelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| s | sok |
| x | acht |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanschakelen
aanschakelenhele werkwoord — schakelde aanverleden tijd enkelvoud — schakelden aanverleden tijd meervoud — aangeschakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schakel aan | schakelde aan |
| jij | schakelt aan | schakelde aan |
| hij, zij, het | schakelt aan | schakelde aan |
| wij | schakelen aan | schakelden aan |
| jullie | schakelen aan | schakelden aan |
| zij | schakelen aan | schakelden aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen schakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult schakelen | bijzin, toekomende tijd |
| aangeschakeld | verleden tijd, deelwoord |
| aangeschakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeschakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanschakel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanschakelde | bijzin, verleden tijd |
| aanschakelden | bijzin, verleden tijd |
| aanschakelend | onvoltooid, deelwoord |
| aanschakelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeschakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeschakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schakel aan | gebiedende wijs |
| schakelde aan | verleden tijd |
| te hebben aangeschakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanschakelen aan zou(dt) schakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeschakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanschakelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanschakelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangeschakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanschakelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanschakelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanschakelen aan zult/zal schakelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
[1] samenstelling van aan vz en schakelen ww
Woordfamilie van aanschakelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangeschakeld | voltooid deelwoord | aanschakelen |
| aangeschakelde | woordvorm | aanschakelen |
| aanschakel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanschakelen |
| aanschakelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanschakelen |
| aanschakelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanschakelen |
| aanschakele | with-subordinate-clause | aanschakelen |
| aanschakelend | onvoltooid deelwoord | aanschakelen |
| aanschakelende | woordvorm | aanschakelen |
| aanschakelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanschakelen |
| schakel aan | gebiedende wijs | aanschakelen |
| schakelde aan | verleden tijd | aanschakelen |
| schakelden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanschakelen |
| schakele aan | woordvorm | aanschakelen |
| schakelen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanschakelen |
| schakelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanschakelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanschakelen zijn vastgelegd.